Pact met de duivel

Alles onder de zon wat door de mens wordt gemaakt is vatbaar voor een patent, verkondigde het Amerikaanse hooggerechtshof twintig jaar geleden. Dat past bij het land van Edison en de gebroeders Wright. En het land van Bill Gates van softwaregigant Microsoft. Amerika heeft met verve octrooibescherming verleend aan allerlei computerprogramma's en -toepassingen. Dat doet Europa ook wel, maar het is van oudsher een stuk terughoudender. Nu maakt de Europese Unie zich toch op de juridische kloof met de VS – gidsland op het gebied van informatie en communicatietechnologie – te dichten. Daartoe is een richtlijn ingediend, die in het Europees parlement controversieel is gebleken.

Het patent is wel betiteld als ,,een pact met de duivel'', met de uitvinder in de rol van Faust. In ruil voor het opgeven van zijn geheim en publicatie van zijn vinding in detail krijgt de uitvinder van overheidswege een monopolie van twintig jaar. De Amerikaanse grondwet zegt dat dit arrangement dient ,,ter bevordering van de wetenschap en de nuttige kunsten''. Maar als het om software gaat spreekt de dwarse Harvard-professor Lawrence Lessig over ,,de grootste bedreiging van innovatie in cyberspace''. Typisch voor de ontwikkeling van computersoftware is dat verschillende makers op elkaar voortbouwen. Dat wordt lastig bij een wettelijk monopolie voor één partij.

Protesten tegen het softwarepatent komen vooral uit de hoek van de `open source'-beweging. Een bekend voorbeeld is Linux, het alternatief voor het besturingssysteem van Microsoft. Van Linux worden de zogeheten broncodes ook gepubliceerd, maar juist zonder restrictie, zodat iedereen kan meesleutelen. Systemen worden daar steviger van, zeggen de voorstanders, en dat is van groot belang op internet, dat steeds kwetsbaarder is voor virussen en hackers. `Open source', waarvoor de belangstelling bij de Nederlandse overheid duidelijk groeit, is een reden zich zorgen te maken over de Europese richtlijn.

Opmerkelijk is echter dat een pleitbezorger van softwarepatenten en een scepticus het er vorig jaar in het vakblad Computerrecht over eens waren dat de Europese richtlijn eigenlijk niet eens zoveel verandert. Kwantitatief is dat zeker zo. Er zijn onder de bestaande regels in Europa al duizenden software-octrooien verleend. Toch heeft de nieuwe richtlijn haken en ogen, zo blijkt uit een studie van IVIR, het instituut voor informatierecht van de Universiteit van Amsterdam. Grote bedrijven verzamelen patenten als ruilmiddel voor onderlinge deals. Kleinere bedrijven schieten daar weinig mee op, evenmin als nieuwe toetreders tot de softwaremarkt, die het vaak juist moeten hebben van niches. Het gevaar is zelfs niet denkbeeldig dat een patent het kleine bedrijf alleen maar blootstelt aan ultimata van grote bedrijven die een licentie opeisen – op hún voorwaarden. Het alternatief is een dure procedure en die is al gauw afschrikwekkend, klaagde een zegsman van een kleine softwarefirma uit New York onlangs in de International Herald Tribune.

In de VS is het softwarepatent ook nog eens uitgebreid tot methoden van elektronisch zakendoen. Bekend werd vooral het patent op de methode van Amazon.com om met één muisklik een bestelling te plaatsen. Als zo'n octrooi wordt gebruikt om concurrenten dwars te zitten kan dat de vooruitgang van e-commercie, die de EU hoog in het vaandel heeft, danig belemmeren. Het weerwoord is dat de algemene waarborgen van het Europese octrooirecht dergelijke Amerikaanse toestanden in de weg staan. Als dat werkelijk zo is, hoeft er ook niet zo nodig een Europese richtlijn te komen.