Het woord allochtoon 1

Prof. Manenschijn formuleert in NRC Handelsblad van 24 september een aantal bezwaren tegen het woord allochtoon en dan vooral tegen het (denigrerend) gebruik van het woord. Zijn bezwaren zijn zeker reëel, maar gaan toch voorbij aan het meest interessante aspect van dit woordgebruik: de maatschappelijke context waarbinnen het woord allochtoon in de mode is gekomen.

Alleen in Nederland wordt het woord allochtonen voor immigranten gebruikt. Het hangt dan ook direct samen met de onwil van Nederland om zich als immigratieland te zien. `Nederland is geen immigratieland', staat met zoveel woorden in de regeringsnota Buitenlandse Arbeiders uit 1970. Als een land geen immigratieland is kunnen er natuurlijk ook geen immigranten zijn. Op het woord immigrant rustte dan ook een taboe. Het was voor het toenmalige minister van CRM onaanvaardbaar de Indische Nederlanders als immigranten aan te duiden. Zo verscheen in 1971 de bundel `Allochtonen in Nederland'.

Ook onderzoekers van de afdeling Bevolkingsstatistieken van het CBS die het effect van de buitenlandse migratie op de omvang van de bevolkingssamenstelling analyseerden gingen het woord allochtoon als synoniem voor immigrant gebruiken. Overigens als volstrekt neutrale, technische term.

Pas in 1983 met het verschijnen van de `Minderhedennota' formuleert de Nederlandse regering een eerste aanzet tot wat men een integratiebeleid zou kunnen noemen. Het woord minderheden leek toen even het woord allochtoon te verdringen. Maar in 1987 publiceert de WRR het rapport `Allochtonenbeleid' en is het woord weer helemaal terug. Van die tijd af krijgt het op zichzelf neutrale woord allochtoon, ter vervanging van immigrant, ook meer en meer de bijbetekenis van `ongewenste immigrant'.