`Gezelligheid' heeft integratie van allochtonen belemmerd

Migranten zijn niet gebaat geweest bij het open en egalitaire karakter van de Nederlandse samenleving. Het heeft hen, volgens Thomas von der Dunk, eerder tegengewerkt bij het grijpen van kansen om een goede sociaal-economische positie te verwerven. Het clubjesdenken bleek bij het integreren een moeilijk te nemen barrière.

Het is geen toeval dat het Verwey-Jonker Instituut in zijn rapport moet constateren dat het integratiebeleid voor werkgelegenheid en mentaliteit minder geslaagd is dan voor huisvesting en onderwijs. Achterstanden in de twee laatstgenoemde sferen laten zich naar verhouding immers makkelijker door specifieke concrete overheidsmaatregelen bestrijden.

Mentaliteitsverandering is daarentegen vooral een kwestie van de betrokkenen zelf, afhankelijk van hun eigen vermogen en bereidheid om zich ook innerlijk aan een nieuwe leefomgeving aan te passen; ministeriële oekazes kunnen dat niet bewerkstelligen, en werken wegens hun dwangmatige uitstraling soms eerder averechts. En voor zijn werk en inkomen is de migrant net als de autochtoon meestal sterk op derden aangewezen, voor wie niet goede bedoelingen of het algemeen maatschappelijk belang centraal staan, maar het succes van de eigen organisatie.

Desalniettemin blijkt Nederland waar het de arbeidsparticipatie betreft zelfs vaak slechter te scoren dan onze buurlanden. De ongekende economische bloei van de jaren negentig, die gezien de krapte op de arbeidsmarkt alle kansen voor structurele verbetering bood, heeft hierin geen verandering gebracht; ook perfect Nederlands sprekende Turken en Marokkanen komen nog steeds relatief moeilijk aan een baan. Wij scoren op dit vlak zelfs slechter dan de Duitsers, ofschoon die al een decennium kampen met een kwakkelende economie: de altijd – juist in vergelijking met onze oosterburen! – als relatief `open' voor vreemdelingen, als minder gesloten en hiërarchisch betitelde Nederlandse samenleving lijkt hier te hebben gefaald.

Het zou echter, paradoxaal genoeg, wel eens juist dat open en egalitaire karakter van de Nederlandse samenleving kunnen zijn, die voor de sociaal-economische integratie van immigranten een onzichtbare belemmering vormt. De nadruk die Nederlanders ook op hun werkplek op gelijkheid leggen impliceert in de praktijk tevens een meer dan puur zakelijke relatie met collega's en chef: de baas is niet een afstandelijke Herr Doktor Geheimrat So-und-So, maar voor zijn formeel ondergeschikten al snel gewoon `Jan' en `jij'. Van collega's verlangen wij als gevolg daarvan dat je er niet alleen zinnig mee kunt samenwerken, maar ook leuk mee uit kunt gaan, en op kantoor heerst in vergelijking met de rest van Europa – Scandinavië uitgezonderd – over het algemeen een nogal amicale sfeer die het best met het nagenoeg onvertaalbare woord `gezellig' kan worden gekarakteriseerd.

De consequentie daarvan is dat nieuwe werknemers bij ons niet alleen een bepaalde vakbekwaamheid moeten bezitten, maar ook `in de groep moeten passen'. Kan een Duitse of Franse werkgever, juist wegens de grotere onderlinge afstand op persoonlijk vlak, eerder volstaan met te kijken of een sollicitant over de juiste diploma's beschikt, in Nederland moet meer rekening gehouden worden met bijkomende eigenschappen die men elders eerder geneigd zou zijn als `privé' af te doen. Soort zoekt dientengevolge soort. Ofschoon dit selectiemechanisme misschien meer onbewust dan bewust ontstaat, is het effect op macroniveau dat buitenstaanders – en dat zijn immigranten per definitie – grotere moeite hebben om binnen te komen dan elders, waar iets meer naar objectieve `kwaliteit' en iets minder naar subjectief `karakter' gekeken wordt.

De immigrant stuit hier keer op keer op het ons-kent-ons-sfeertje dat sinds jaar en dag grote delen van de Nederlandse samenleving kenmerkt. Dat loopt van het hospiteersysteem van studentenhuizen in sommige steden, waarbij de zittende bewoners zelf de nieuwkomers mogen uitkiezen (en dus zichzelf proberen te reproduceren), tot het old-boys-ballen-netwerk in het bedrijfsleven, de `politiek correcte' incrowd in de academische wereld of het plechtstatig ambtelijke regentendom in het openbaar bestuur. Als je tot die en die maatschappelijke groep behoort, behoor je zus en zo te denken, en je zus en zo te kleden – val vooral niet uit de toon: wees geen reactionair aan de Universiteit van Amsterdam, geen revolutionair aan die van Utrecht, geen republikein aan die van Leiden.

Het conformisme dat daarvan onvermijdelijk het gevolg is zorgt steeds voor een afweerreactie jegens het excentrieke en afwijkende, waarmee bijvoorbeeld de Britten veel minder moeite hebben. Dat zo elke aandrang tot geestelijke originaliteit of onafhankelijkheid in de kiem wordt gesmoord en al snel de middelmaat heerst, spreekt vanzelf. De `domheid' van Nederland en het gebrek aan werkelijk innovatief vermogen op academisch niveau, waarover onlangs zoveel ophef was, heeft dan ook van alles met het nationale clubjesdenken te doen, waarbij de gelijkgestemde leden van al die bestaande clubjes hun prettige onderlinge samenzijn vooral niet door de binnenkomst van andersgeaarden met een ongewone habitus verstoord wensen te zien. Niets verschaft immers zoveel gelukzaligheid en geestelijke voldoening als de zekerheid vooral niet met de confrontatie met een alternatieve zienswijze op mens en wereld te worden belast. Deze wens, zo kenmerkend voor het veelgeprezen maatschappelijk middenveld, strekt zich in Nederland vanouds niet alleen uit tot kaatsclub, kroeg en kerk, maar ook tot universiteit, bedrijf en werk.

Het vormt een verlate erfenis van de verzuiling, toen elke religieuze secte zich ook bij voorkeur in een eigen domein opsloot om van alle gevaarlijke ketterse andersdenkenden zo min mogelijk last te hebben. Nederland viel uiteen in paralelle samenlevingen die in hoge mate zelfverzorgend waren, waarbij rooms en onrooms elk onderling contact zoveel mogelijk wisten te vermijden door slechts in eigen kring te voetballen, vis te vangen en zich te laten verplegen, en voor een katholiek de keuze van zijn slager niet zozeer afhing van het feit dat hij goed vlees, als wel dat hij op vrijdag géén vlees in de aanbieding had.

Voor nieuwkomers is het onder deze postverzuilde omstandigheden moeilijker te integreren, tenzij men zelf ook zo'n parallelle samenleving opbouwt: het klassieke `integratiemodel' van het CDA. Niet voor niets gaat het met de Turkse gemeenschap, die in dat opzicht een hechtere gemeenschap vormt, in sociaal-economisch opzicht beter dan met de Marokkanen. Zij zijn er beter in geslaagd om zelf werkgelegenheid te creëren, en zo banen te scheppen voor eigen kring. Om echter deze groeiende apartheid te doorbreken zal ook autochtoon Nederland mentaal moeten veranderen; op het werk zakelijker en minder gezellig moeten worden in welk opzicht overigens voor het KLM-personeel onder de vleugels van Air France een nuttige pionierstaak zal blijken te zijn weggelegd, omdat de toenemende Europese economische verwevenheid dat spoedig toch al van ons vergt.

Thomas von der Dunk is cultuurhistoricus. Dit is het zesde deel van een serie. Vorige afleveringen zijn na te lezen op www.nrc.nl/opinie