Vijf dagen vergeefs zoeken in het veen

In het veengebied Appelbergen in het Groningse Glimmen moeten de lichamen liggen van vijftien door de Duitsers gefusilleerde Nederlanders. Maar vijf dagen graven heeft nog niets opgeleverd.

Bulten veen vermengd met zand liggen in het uitgegraven stuk veenmoerasgebied Het Grote Veen in natuurgebied Appelbergen bij Glimmen. Om het afgebakende stuk van duizend vierkante meter is een klein dijkje van kleileem opgeworpen, dat het moeraswater moet tegenhouden. Dode boomstammen steken uit het moeras, dat deels onzichtbaar is door graspollen, braamstruiken en andere begroeiing. De afgelopen vijf dagen groef de Bergings- en Identificatiedienst (BID) van de Koninklijke Landmacht het perceel af, op zoek naar stoffelijke resten van veertien mannen en één vrouw die in de oorlog door de Duitsers werden gefusilleerd.

In natuurgebied Appelbergen, in de oorlog een militair oefenterrein, werden in 1943 34 doodgeschoten mannen schots en scheef in massagraven gedumpt door de Duitse bezetter. Het was een represaille voor de meistaking, een ongeorganiseerd protest tegen het besluit van de Duitsers alle 300.000 Nederlandse oud-militairen terug te voeren in krijgsgevangenschap.

Om de bevolking te intimideren werd de locatie van hun graf destijds geheim gehouden. Nabestaande Truus de Witte laat een brief zien van de gemeente Oudega (Wymbritseradiel) van 18 mei 1945 gericht aan haar grootouders. Daarin staat dat haar oom Broer de Witte is doodgeschoten: ,,de teraardebestelling heeft plaats gevonden doch de plaats daarvan kon niet worden bekendgemaakt.'' Negentien lijken, waaronder dat van haar oom, naar later uit eigen onderzoek van Truus de Witte bleek, werden een half jaar na de bevrijding opgegraven. Dat gebeurde op aanwijzing van getuigen, die Duitse vrachtauto's in het gebied hadden zien rijden en Duitse militairen petgaten hadden zien uitgraven. De lichamen uit dit Trimuntgraf, zoals de locatie wordt genoemd, werden herbegraven in Marum. Pas in 1949 werd bekend dat er nog meer slachtoffers in het Grote Veen moesten liggen. De Duitse majoor Mechels, verantwoordelijk voor de executies, onthulde dit tijdens zijn verhoren voor de Bijzondere Rechtspleging. Ze moesten in de buurt van het eerdere graf liggen.

De Witte is acht jaar bezig met het mysterie van Appelbergen. Tijdens de meistaking van 1943 gooiden haar vader Wybe de Witte (toen 17) en diens broer Broer (19) in Oudega melkbussen van een vrachtauto, waaruit ze de melk uit protest lieten weglopen. Ze werden gepakt en ter dood veroordeeld. Broer werd standrechtelijk geëxecuteerd. Wybe werd vastgehouden, maar een paar dagen later vrijgelaten. Op de Grote Markt las hij op een aanplakbiljet dat zijn oudere broer was gefusilleerd. Haar vader, die in 1975 overleed, ging gebukt onder de onzekerheid over de laatste rustplaats van zijn broer. Net als veel andere nabestaanden, weet De Witte.

Er zijn verscheidene pogingen gedaan om de graven te lokaliseren. Tien jaar geleden werd een F-16 ingezet, die met infrarood-camera's foto's nam van het gebied. In 1995 werd de Werkgroep Appelbergen opgericht, bestaande uit De Witte en de historici Peter de Jong en Robert Boxem. ,,Ik wilde precies weten wat er gebeurd was. Wat mijn vader had meegemaakt en waar hij zijn leven lang last van had gehad.'' Twee jaar lang zocht De Witte met succes naar verloren gewaande archieven als processen verbaal van vermissing, sectierapporten van de patholoog-anatoom en telexen van de Sicherheitsdienst (SD) over de executies. Het drietal bestudeerde rapporten, overheidsstukken, krantenberichten en sprak met verscheidene deskundigen onder wie een cartograaf. Op grond van al deze gegevens kon met zekerheid worden vastgesteld dat de vijftien doden in het Grote Veen moesten liggen. Maar waar in het tien hectare grote gebied? Op grond van archief- en bodemonderzoek werd de locatie uiteindelijk gereduceerd tot een stuk van 4000 vierkante meter. Hier liggen de petgaten langs het zandpad en het perceel grenst aan het Trimuntgraf. Bovendien was dit stukje veen in 1943 onzichtbaar voor de buitenwereld en lag het aan een indertijd goed begaanbaar zandpad.

Archeologisch Adviesbureau RAAP uit Amsterdam onderzocht een kwart van deze locatie twee jaar geleden met metaaldetectoren en grondradar. De scan wees uit dat op zeven plaatsen metaal lag. Sporen van munitie? Van een ring van een dode? Om de hypothese te staven dat de slachtoffers op deze plek moesten liggen, werd hetzelfde perceel afgelopen week door de BID afgegraven. ,,Een beredeneerde gok'', noemt historicus Robert Boxem het besluit juist daar te gaan graven. Botresten werden echter niet aangetroffen. ,,Daarom denken we dat de lichamen een paar meter verderop moeten liggen'', veronderstelt De Witte.

De teleurstelling over het niet vinden van de lichamen is overigens niet al te groot bij de nabestaanden, zegt De Witte. ,,We weten zeker dat ze hier moeten liggen. Daarmee komt een einde aan een voor veel mensen wurgende onzekerheid. Straks komt er een monument met de namen van de slachtoffers erop. Dat is voor hen erkenning van hun leed.''