Smeergeldproces riskant voor `immune' Chirac

Gisteren is in de rechtbank van de Parijse voorstad Nanterre een proces begonnen dat niet zonder risico is voor de Franse president Jacques Chirac. De meest vooraanstaande van de 27 verdachten is oud-premier Alain Juppé, de huidige voorzitter van de UMP, de partij van het Franse staatshoofd. Het proces betreft de salariëring van spookwerknemers van de RPR, de vroegere politieke partij van Chirac en Juppé, die vorig jaar is opgegaan in de grote, rechtse formatie UMP. De salarissen zouden betaald zijn met zwart geld van bedrijven die in ruil daarvoor opdrachten kregen in de bouwprojecten van de gemeente Parijs van 1988 tot 1995, toen Chirac daar burgemeester was.

In de tijd van de malversaties die de procureur op het oog heeft was Alain Juppé secretaris-generaal en financieel directeur van de partij. Algemeen wordt gezegd, dat hij nu doelwit is geworden van de justitiële aandacht omdat Chirac, destijds voorzitter van de partij, als president van de Republiek juridische onschendbaarheid geniet. Door de berechting van Juppé en zijn medeverdachten kan de rol van de president alsnog aan het licht worden gebracht. In de eerste, pittige kruisverhoren gisteren viel de naam van Chirac al vijftien keer.

Op de eerste procesdag ging het in de eerste plaats om de loonlijsten. De RPR had in 1988 minder dan dertig werknemers op de loonlijst staan. In 1990 waren dat er 45, in 1992 88 en in 1994 175. De salariskosten stegen van een aanvankelijke 6 miljoen tot 43 miljoen francs (ongeveer 7 miljoen euro). Verdachten Robert Galley en Jacques Boyon, beiden voormalig penningmeester van de RPR in de gewraakte periode, zeiden zich van geen kwaad bewust te zijn geweest. Galley, een oud-minister, zei zich uitsluitend te hebben beziggehouden met de inkomsten `zoals Chirac me gevraagd had' en Boyon zei zich niet te hebben beziggehouden met personeelswerving.

Alain Juppé zei slechts samen met de penningmeesters erop te hebben toegezien of de personeelskosten gedekt werden door de inkomsten, maar zich nooit met de werving van personeel te hebben beziggehouden. Over Chirac zei hij: ,,De voorzitter van de RPR bemoeide zich niet met de opstelling van de begroting noch met de toepassing. Zijn functie was voornamelijk politiek.'' De ontkenningen deden de rechter bitterzoet opmerken dat ,,het personeel noch viel onder het administratieve en financiële bestuur, noch onder de penningmeesters, noch onder de secretaris-generaal''.

De rechter riep op ,,te antwoorden zonder gezwalk''. Alleen Juppé, die vóór de rechtbank rustig vragen van journalisten beantwoordde, maakte een beheerste indruk. Hij gaf toe dat er voor 1988 een ,,zekere wanorde'' had geheerst, waarin hij orde had willen brengen.