Draag zelfbewust de eigen cultuur uit

Het wordt door velen ontkend, toch zijn er maar weinig volkeren in Europa die zo'n uitgesproken `eigen identiteit' hebben als de Nederlanders, meent Frits Bolkestein.

Het begrip `eigen identiteit' brengt veel Nederlanders in een staat van zelfontkenning. Ze beperken hun `identiteit' het liefst tot folkloristische begrippen zoals polders, molens en klompen of tot zinnen als `gewoon voor de eigen mening uitkomen'. Maar zodra het woord natie of natiestaat valt, schrikt de Nederlander terug. Hij zegt geen natiegevoelens te koesteren omdat deze behoren tot het monopolie van grote landen zoals Frankrijk, de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Duitsland. Natie leidt tot nationalisme en daar doen Nederlanders niet aan. Althans dat zeggen ze zelf.

Toch zijn er maar weinig volkeren in Europa die zo'n uitgesproken `eigen identiteit' hebben als de Nederlanders. Het was opvallend hoe kregelig men reageerde toen Thijs Wöltgens, oud-fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid (PvdA) in de Tweede Kamer, de idee opperde dat Nederland zich beter bij Duitsland zou kunnen aansluiten om effectief invloed uit te oefenen in Europa. Nederland als Duitse deelstaat zou meer inwoners dan Beieren hebben en iets minder dan Noordrijn-Westfalen. Daarmee zou het `Bundesland Niederlande' grote invloed op de regering van de grootste Europese lidstaat hebben. Via de regering in Berlijn zou men dan Brussel weer kunnen beïnvloeden. Berlijn heeft in Brussel meer in de pap te brokkelen dan Den Haag. De opmerkingen werden afgedaan als ,,niet serieus'' en als een persoonlijke oprisping van de burgemeester van Kerkrade, wellicht na het nuttigen van een koel glas bier. Het feit dat Thijs Wöltgens Limburger is, was voor opiniemakers voldoende reden om zijn stelling als carnavalesk terzijde te schuiven.

Maar Wöltgens raakte een belangrijk thema aan. Hoe groot is de Nederlandse invloed in een groter wordend Europa? Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië zullen in een Europa van 25 sterke invloed behouden, maar voor kleinere lidstaten als Nederland en België wordt de spoeling dun. Van de 25 lidstaten zijn er zes groot en negentien klein tot heel klein.

De Europese integratie dreigt meer onderwerpen te omvatten dan de Europese Unie aankan en dan veel burgers lief is. In veel lidstaten duikt de vraag op wat er nog overblijft van de `nationale identiteit' als alle besluitvorming wordt uitbesteed aan Brussel. Het epicentrum van de Europese besluitvorming wordt gezien als een Bermudadriehoek waarin de soevereiniteit verdwijnt.

Ik verdedig de stelling dat er meer behoefte is aan nationale identiteit naarmate de Europese Unie zich uitbreidt. Door de kennismaking met het vreemde ontdekt men het eigene. De identiteit van een bepaalde lidstaat geeft burgers een gevoel van geborgenheid en saamhorigheid. Men behoort tot een groep omdat men een taal en cultuur deelt of is opgegroeid in een gelijksoortige onderwijswereld en bestuurscultuur. Uitbreiding van de EU leidt niet automatisch tot meer saamhorigheidsgevoelens tussen Europeanen.

De invoering van de euro was een historisch moment. Nederlanders gaven hun eeuwenoude gulden op maar de euro leidde niet tot pro-Europese euforie. Integendeel. Prijsverhogingen na de invoering werden aan Europa toegeschreven. De euro moet zich op de langere termijn nog bewijzen. Als de waarde van de munt wordt ondergraven, bijvoorbeeld omdat regeringen van sommige lidstaten het Groei- en Stabiliteitspact aan hun laars lappen, zullen burgers de euro vervloeken. Een zwakke euro ondermijnt immers de waarde van pensioenen, juist op het moment van toenemende vergrijzing. Pas over tien jaar zal blijken wat de euro echt waard is.

Uitbreiding leidt niet naar één Europese cultuur. Een Nederlander heeft in cultureel opzicht meer gemeen met een Amerikaan dan met een Griek of een Cyprioot. Een Pool heeft meer vertrouwen in de vriendschapsband met de VS dan in toezeggingen van Duitsland of Frankrijk. Europeanen kijken massaal naar Amerikaanse films, veel minder naar Europese. Angelsaksische popmuziek overheerst, geen Europese. Op het Eurovisiesongfestival zingen de meeste groepen in het Engels. Er bestaat geen Europese cultuur als substituut voor nationale identiteiten.

Nederland zal, net als Britten, Duitsers, Fransen, Denen of Polen, een eigen identiteit in Europa behouden. Een eigen identiteit is geen statisch gegeven maar een open begrip. Sommigen menen dat een nationale cultuur slechts kan gedijen binnen de drie-eenheid van land, taal en volk. Daarmee zou als het ware een homogene, exclusieve groep ontstaan die via een typische volksaard de basis voor de natiestaat legt. Dat is een té romantische visie op de natiestaat, als een gezellige club van gelijkgezinden. Polen vormden jarenlang een natie zonder staat. Duitsers vormden tussen 1945 en 1990 een natie in twee staten. De VS zijn een smeltkroes van rassen en religies maar niemand zal beweren dat de VS geen natie zijn. Er zijn maar weinig staten in Europa die religieus, etnisch of cultureel homogeen zijn. Men mag misschien zeggen dat Frankrijk nog het meest een homogeen karakter heeft.

De Nederlandse identiteit met eigenschappen als moralisme, handelsgeest, planmatige aanpak en vrijheidsbesef heeft historische cesuren overleefd (de opstand tegen Spanje (1568-1648), de Franse bezetting (1795-1813) en de Duitse bezetting 1940-1945)), maar is wel vaak van uiterlijk veranderd. Het moralisme bleef daarin een constante. In de jaren van de neutraliteitspolitiek zag Nederland zich als een `belangeloze bemiddelaar'. De volkenrechtgeleerde Van Vollenhoven kenmerkte Nederland als ,,een baken van licht in een duistere wereld''. Nederland zei niet aan machtspolitiek te doen zoals Frankrijk en Duitsland. Neutraliteit werd in morele begrippen en juridische kaders vervat. In Nederlands-Indië deed Nederland wel aan machtspolitiek maar daar had het dan ook belangen.

Na de Tweede Wereldoorlog werd ook in Nederland de strijd tegen het communisme gevoerd met een zekere zendingsdrift. Nederlandse troepen probeerden de Indonesische onafhankelijkheid te voorkomen in wat men eufemistisch `politionele acties' noemde. Direct na de Tweede Wereldoorlog, waarin Nederland zelf zwaar had geleden, mobiliseerde het een troepenmacht om een grote archipel aan de andere kant van de wereld te behouden. Een verloren zaak.

Het moralisme werd ook door de naoorlogse generatie tijdens de jaren zestig en zeventig ontdekt. Nederland moest als gidsland vooroplopen. Ontwikkelingshulp werd een beleidsterrein waar morele bedoelingen belangrijker waren dan resultaten. Demonstraties tegen nucleaire bewapening werden gehouden met het argument dat Nederland via eenzijdige ontwapening het voorbeeld moest geven. Het moralisme is zo diep in Nederland verankerd dat men linkse politici kan omschrijven als calvinisten zonder Calvijn.

De Nederlandse identiteit kent nu twee grote uitdagingen: de multiculturele samenleving en de europeanisering.

Tegen het eind van de jaren zestig kwam de grootste immigratiegolf sinds 1850 naar Nederland op gang. De eerste groep bestond uit gastarbeiders uit Marokko en Turkije. De tweede groep bestond uit rijksgenoten die Suriname verlieten vóór en na de onafhankelijkheid in 1975. Eenderde van de Surinaamse bevolking kwam naar Nederland. De eerste generatie Marokkanen en Turken stichtten gezinnen in Nederland. Er kwam `volgmigratie' door gezinsherenigingen en huwelijken met partners uit de landen van oorsprong.

In de jaren negentig kwamen grote groepen asielzoekers en velen van hen bleven op een of andere manier in Nederland. Het gevolg is dat over tien jaar de meerderheid van de bevolking in grote steden als Rotterdam en Amsterdam van allochtone oorsprong zal zijn. Hoewel de groep allochtonen niet homogeen is, zal de islam door het grote aantal Marokkanen en Turken daar de grootste godsdienst zijn. Wat blijft er over van de Nederlandse identiteit als in de grote steden, de cultuurdragers van een land, autochtone Nederlanders een minderheid vormen?

Sommigen zeggen dat immigratie nuttig is om de gevolgen van vergrijzing op te vangen. Die stelling moet ernstig betwijfeld worden. Het Centraal Planbureau (CPB) toont in een recent rapport `Immigration and the Dutch economy' aan dat immigratie niet effectief is tegen vergrijzing. Men kan niet tegelijk een aanbod-gestuurd toelatingsbeleid hebben én een verzorgingsstaat. Onder de niet-westerse immigranten is de werkloosheid naar verhouding hoog. De afhankelijkheid van sociale uitkeringen (werkloosheid, bijstand, arbeidsongeschiktheid) is navenant groot. De immigrant levert gemiddeld geen grote bijdrage in werk of kapitaal zoals de Zuidelijke Nederlanders in 1580 maar vormt een last voor de collectieve sector. Het CPB stelt dat een `vraag-gestuurd immigratiestelsel' de voorkeur geniet. Nederland kan dan mensen toelaten op basis van eigen behoefte, zoals de VS, Canada of Australië dat doen.

Het is onduidelijk hoe de immigratie van de afgelopen dertig jaar de Nederlandse identiteit beïnvloedt. Nederlandse politici en bestuurders hebben té lang een romantisch beeld van de immigratie gehad. Ze meenden dat `andere culturen' zonder problemen naast de Nederlandse konden bestaan. Die formule heette ,,integratie met behoud van eigen identiteit''. Dat bleek een illusie omdat sommige waarden haaks staan op universele beginselen zoals scheiding van kerk en staat, gelijkwaardigheid van de vrouw, onderwijsplicht en tolerantie ten opzichte van bepaalde seksuele geaardheden. De islam is niet alleen een godsdienst, hij is een alomvattende leefwijze die het dagelijkse doen, laten en denken bepaalt.

De komst van de Zuid-Nederlandse calvinisten was eenvoudig. Zij assimileerden zich. Bij islamieten is dat veel minder het geval. Velen wijzen de Nederlandse identiteit af en wonen toch in Nederland. De eerste generatie houdt vast aan de Marokkaanse of Turkse identiteit en leven apart van de Nederlandse samenleving. De tweede en derde generaties hebben vaak helemaal geen identiteit. Zij leven tussen twee werelden. Zij vinden Nederland vaak profaan, maar genieten wel van de collectieve sector. Zij vinden het land van hun ouders armoedig, maar zoeken er wel hun wortels en hun partners.

Het is de vraag of zich in Nederland een `euro-islam' kan ontwikkelen, een religieuze beleving van de islam die de universele waarden van de democratische rechtsstaat onderschrijft. In dat geval kan de islamitische gemeenschap vernederlandsen. Het risico bestaat echter dat een radicaal deel van de islamitische gemeenschap elke vorm van vernederlandsing afwijst en heil zoekt in segregatie. Dan is er een groot probleem en een blijvende bron van maatschappelijke spanningen met radicale islamieten. Dergelijke krachten hebben intussen een politieke stem gekregen in de Libanees-Belgische allochtonenleider Dyab Abou Jahjah.

Vernederlandsing is alleen mogelijk als Nederland zijn eigen identiteit met kenmerken als tolerantie, maatgevoel, netheid, geordend samenleven en nijverheid scherper durft te markeren. Er is nu een schroom de `eigen identiteit' te tonen omdat dit andere culturen zou kwetsen. Men schaamt zich als het ware voor zichzelf en de Nederlandse samenleving geeft daarmee de allochtoon een vrijbrief om zelf de grenzen te stellen.

Alleen zelfbewuste culturen kunnen mensen uit niet-westerse culturen integreren. De VS laten zien dat het natiebesef niet is beperkt tot een ras, huidskleur, godsdienst of afkomst. De VS zijn een smeltkroes en toch een natie, voor mensen met een Europese, Afrikaanse, Aziatische, Mexicaanse, joodse of islamitische achtergrond. In Amerika is identiteit geen probleem omdat men daar durft uit te komen voor de eigen waarden. Nederland kan islamieten vernederlandsen als het zelfbewust is en durft te zeggen voor welke waarden het zelf staat. De Nederlandse overheid moet de grenzen van het aanvaardbare trekken.

De tweede uitdaging is de europeanisering. Is zij een gevaar voor de Nederlandse identiteit? Ik geloof het niet. Er is immers geen Europese taal of Europees volk ter vervanging van de Nederlandse identiteit. Er is misschien een Europees cultuurbesef maar dat kan niet de basis zijn voor de Europese natiestaat. Natiestaten als Frankrijk, Nederland of Spanje kunnen via Europa verregaand samenwerken, maar zodra men van Europa een natiestaat zou willen maken – ook al is het in federale vorm – explodeert het.

De historicus Ernst Kossmann zegt hierover: ,,Degenen die de groeiende macht van Europese instellingen met andere dan zuiver utilistische en juridische argumenten willen legitimeren, moeten niet verwijzen naar de uit de geschiedenis voortgekomen Europese identiteit. Het meest karakteristiek van de Europese cultuur is de neiging naar universalisme en naar nationalisme. Beide vormen per definitie de negatie van dat wat zij karakteriseren: de Europese cultuur zélf.''

Sommige pleitbezorgers van een federaal Europa maken de vergelijking met de soevereine provincies uit de tijd van de Republiek die in 1815 opgingen in het Koninkrijk der Nederlanden. Nu zouden dan de soevereine lidstaten opgaan in de Europese Unie. Die gedachte lijkt me verder weg dan ooit. Grote natiestaten als Frankrijk, Groot-Brittannië en Spanje zullen nooit hun soevereiniteit volledig willen afstaan aan een Europese constructie in Brussel. Integendeel. Zij willen samenwerken in Brussel om via Europese instellingen nationale belangen te behartigen. Frankrijk zal zowat alles doen om het gemeenschappelijke landbouwbeleid in stand te houden. Spanje doet alles om voldoende middelen uit de structuurfondsen te krijgen. Groot-Brittannië bepleit een snelle uitbreiding van de EU omdat die tot verwatering leidt. Het is een naïeve gedachte dat deze landen belangeloos in een Europese constructie zouden opgaan, ter meerdere glorie van een Europese federatie. De kwestie-Irak heeft laten zien hoe sterk nationale identiteiten nog steeds een rol spelen.

Men kan zelfs zeggen dat Europa het station van federale eenwording is gepasseerd. Vanaf 1 mei 2004 komen tien landen bij de EU. Sommige van die landen, zoals Polen, Hongarije en Tsjechië, werden 45 jaar door de Sovjet-Unie overheerst, ook een Unie. De nieuwe lidstaten willen `bij Europa horen' en toch hun culturele eigenheid naar voren brengen. Zij streven er niet naar op te gaan in een Europese Unie. Zij zien Europa als een speelveld om nationale belangen te behartigen. Na de tien nieuwe lidstaten komen Roemenië en Bulgarije. Dan volgen de landen van het voormalige Joegoslavië en vervolgens staat het lidmaatschap van Turkije op de agenda. Tenslotte kloppen Oekraïne en Wit-Rusland op de deur.

Hoe kan men in een EU van 40 lidstaten de `Europese identiteit' omschrijven? Dat wordt ten hoogste een brede definitie met universele waarden, die dus niet exclusief Europees zijn, en een Europees cultuurbesef, met verwijzing naar meesterwerken in muziek, schilderkunst en literatuur. Maar l'Europe culturelle vervangt niet de nationale identiteit van Polen of Nederland. Integendeel, het is complementair. De Nederlander wijst naar Rembrandt en de Pool naar Chopin als typisch Hollands en Pools én als deel van een Europees cultureel patrimonium.

Anderen zien in Europa een bedreiging van de eigen taal, het expressiemiddel van de eigen identiteit. Het Engels zou andere talen, zoals het Nederlands, vervangen. Ook dat is maar zeer gedeeltelijk het geval. Enkele jaren geleden stelde de toenmalige Nederlandse minister van Onderwijs, Jo Ritzen, voor bij sommige colleges het Engels verplicht te stellen. Het voorstel bezweek onder de kritiek maar de trend gaat gewoon door. In een Europa van 40 lidstaten is er behoefte aan een lingua franca en dat zal het Engels worden, zoals ooit het Latijn in de katholieke kerk en het Frans in de diplomatieke wereld. Dat Engels wordt vervormd tot een Euro-Engels waarin velen zich kunnen uitdrukken maar het is geen vervanging voor het Nederlands, Spaans, Turks of Pools.

Deze constatering neemt niet weg dat het Nederlands zich als taal en cultuur sterker moet manifesteren in Europa. Vlamingen en Nederlanders moeten zelfbewust hun taal en cultuur uitdragen, zonder schroom of complexen. Een voorwaarde daartoe is een goede en intensieve samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen.

In het verleden heeft het daar wel eens aan ontbroken. Vlaanderen was dikwijls verstrikt in het wespennest van de Belgische communautaire geschillen terwijl Nederland te weinig belangstelling koesterde voor taal- en cultuurkwesties. Toch is er intussen een cultureel organisme geschapen dat houvast biedt. Zo is er de Nederlandse Taalunie en, sinds enkele jaren, ook de Commissie Cultureel Verdrag Vlaanderen-Nederland. Bovendien is er een gemeenschappelijk Vlaams-Nederlandse satellietzender die programma's van de Nederlandse en Vlaamse televisie uitzendt over de hele wereld. Voor Nederlandssprekenden overzee is die zender van groot belang.

De volgende stap in de Nederlands-Vlaamse samenwerking moet een cultuurcentrum in Brussel worden. In 1981 werd in Amsterdam het Vlaams cultureel centrum de Brakke Grond geopend dat is uitgegroeid tot een belangrijke ontmoetingsplaats. Maar een gezamenlijk Nederlands-Vlaams huis in Brussel, de hoofdstad van Vlaanderen, België en Europa, ontbreekt vooralsnog.

Indien wij de Nederlandstaligheid in het hart van Europa willen manifesteren dan is een dergelijk centrum zonder meer noodzakelijk. Het biedt een gezicht, een trefpunt, een ankerplaats. We moeten over bureaucratische kleinigheden stappen en onomwonden cultuurbeleid durven te voeren.

De Duitsers hebben Goethe als uithangbord, de Spanjaarden Cervantes en in Amsterdam is een Maison Descartes. Sommigen stellen voor om een Nederlands-Vlaams centrum in Brussel het `Multatulihuis' te noemen. Ik zie daar wel wat in. Eduard Douwes Dekker, alias Multatuli, schreef Max Havelaar in het Brusselse logementshuis `Au Prince Belge' aan de Bergstraat. Hij week niet voor machthebbers in Den Haag en vond in Brussel een ballingsoord om te schrijven over de misstanden in Nederlands-Indië. Vanuit het `Multatulihuis' kunnen wij het Nederlands in Brussel een Europees gezicht geven, een plaats tussen de cultuurdragers van de Europese hoofdstad.

De uitbreiding van de EU is niet zozeer een bedreiging voor de Nederlandse identiteit maar eerder voor Europa zelf. De EU wil teveel dingen doen en let te weinig op het subsidiariteitsbeginsel, op grond waarvan het beslissingen zo dicht mogelijk bij de burger moet laten. De rechtvaardiging om een kwestie Europees aan te pakken is dat het `een goed doel' zou zijn. Als klassieke beginselen van orde en logica worden vervangen door sentimentele motieven, zal de EU te veel hooi op de vork nemen en verzanden in details. Het gevolg zal zijn dat de EU nog bureaucratischer wordt en dat zij haar eigen regelgeving in een Unie van 40 lidstaten niet meer kan handhaven. Lidstaten zullen dan hun eigen gang gaan en in de EU zullen randen ontstaan die steeds meer ontrafelen.

Het is niet ondenkbaar dat het Europa van de vijftien het toppunt van zijn integratievermogen heeft bereikt en dat Brussel nu alle energie moet steken in de consolidatie van het bestaande. Dat is geen gevaar voor de Nederlandse identiteit maar wel voor de Nederlandse belangen. Een stagnerende Europese Unie waarvan de interne markt verbrokkelt en de gemeenschappelijke munt zijn waarde verliest, brengt handelsbelangen en monetaire stabiliteit in gevaar.

Voor Hollandse kooplieden die ooit begonnen met handel en guldens is Europa eerder een zaak van welbegrepen eigenbelang dan van ongrijpbare vergezichten.

Frits Bolkestein is Europees Commissaris voor Interne Markt en Belastingen. Dit is een verkorte versie van de Ons Erfdeel-Lezing die Bolkestein gisteren in Brussel heeft gehouden. De volledige tekst is gepubliceerd in het tijdschrift `Ons Erfdeel', www.onserfdeel.be