Stop met die verschrikkelijke toon

`Stop de tribalisering van Nederland', zo sloeg Herman Philipse zaterdag alarm op deze pagina. Volgens Anil Ramdas is Philipse in zijn boosheid blind geworden. Een paar duidelijke regels voldoen om vreedzaam samen te leven, zonder emotie en zonder hoogmoed.

Goh, heer Philipse, wat bent u gedreven en boos. Boosheid leidt zelden tot scherpte, en prettige leesstof levert het ook niet op. Maar als ik het samenvat moeten niet-westerse allochtonen (en u bedoelt eigenlijk alleen moslims, de anderen stopt u in dezelfde bak voor organisch afval) hun eigen waarden achter zich laten en opgaan in de Westerse Beschaving, die wordt gekenmerkt door vrijheid, individuele verantwoordelijkheid en gelijkheid tussen man en vrouw.

Maar hoe had u zich dat voorgesteld, dat achterlaten van de eigen waarden? Een elektrische shocktherapie bij ontvangst van het Nederlandse paspoort? Lobotomie wellicht? Zal ik u wat vertellen: de dwang om de eigen cultuur te vergeten is juist typisch islamitisch. U zou V.S. Naipaul erop moeten nalezen, die als geen ander het Arabische imperialisme bestudeerde en tot de conclusie kwam dat de Arabieren van alle overheersers de ergste waren. Met het zwaard op hals of penis moesten de nieuwe onderdanen moslim worden en tegelijk hun verleden uitwissen. Nooit geweest, weg, foetsie, de geschiedenis begint nu en hiervoor was er niets.

Het westerse imperialisme was zoveel sympathieker: dat wilde juist dat verleden van de gekoloniseerde volkeren documenteren en de waardevolle dingen laten bloeien, zelfs opnemen in de eigen westerse cultuur, zoals het Chinese kruit en de Indiase nul. Maar u, u wilt de moslims aanpakken zoals de moslims in hun goede tijd van vijf eeuwen geleden andere volkeren aanpakten. Ziet u hoe boosheid blind maakt?

Het enige niet boze in uw betoog is het gebruik van het woord `niet-westerse allochtoon'. Een keer sneed ik een Amsterdamse fietser af. `Allochtoon!', beet hij me toe. Sindsdien vond ik die naam verdacht, maar de toevoeging `niet-westers' is prettig, het is als een verzachtende omstandigheid, zo van, hij kan het zelf ook niet helpen. Ik voel me nu ook een niet-westerse allochtoon, en dat is belangrijk. Een voetballer wordt ook pas een voetballer als hij als zodanig wordt herkend. Ik heb een keer een film gezien waarin een jongeman zich een piloot waande door louter het uniform van een piloot aan te trekken.

Ik heb ook een uniform. Alle niet-westerse allochtonen hebben een uniform: hun kleur, soms zwart, meestal bruin, geel of beige, en hun bouw, namelijk zo min mogelijk kaukasisch. We hebben bredere of smallere heupen, hoge of lagere jukbeenderen, andere lippen en neuzen en soms onmogelijke haren waar veel tijd en geld in gaat zitten.

Toch zijn we niet altijd als niet-westerse allochtonen herkend, omdat die term nog niet in zwang was. In de tijd daarvoor dacht ik wat u en uw mede Nederlanders ook dachten: dat ik gast was, dat mijn uniform maar tijdelijk opviel en dat ik vroeg of laat terug zou keren naar streken waar dat uniform niet opvalt. Ik heb uw verwachting niet bewaarheid. Ik heb uw vertrouwen geschonden, door als gast langer te blijven dan was bedoeld. Dat is een ernstige vorm van bedrog. U heeft in uw stuk uitgelegd dat niet-westerse allochtonen bedrog niet zo erg vinden, maar ik vind het wel erg. Misschien ben ik niet zo'n goede niet-westerse allochtoon.

Pas eind jaren tachtig, begin negentig, begonnen enkelen van u een vermoeden te krijgen van ons bedrog. Wie tien, twintig jaar blijft hangen, heeft onduidelijke, misschien wel valse bedoelingen. Desondanks bleven de meesten van u beleefd. Zo zei Frits Bolkestein, die toch wel de eer moet krijgen van de eerste minderhedenspecialist, niet dat wij terstond moesten oprotten, al was dat begrijpelijk geweest. Hij zei dat wij moesten `integreren', ons aanpassen, anders gezegd: dat wij ons uniform moesten afdoen en worden als onze gastheren.

Dat zegt u nu ook, heer Philipse, maar kan het verschil tussen gast en gastheer worden opgeheven? Ik durf het te betwijfelen. Het verschil tussen gast en gastheer is te opvallend en te indringend en als de gast dat niet voelt, dan de gastheer wel. Ook na enkele generaties blijft hij het gevoel behouden dat hij bedrogen is, of zoals ze dat tegenwoordig in de post-Fortuynse kroegen zeggen: dat hij genaaid is waar hij bij stond.

Ik wist dus een hele tijd niet dat ik een niet-westerse allochtoon was. We werden verborgen door de schemering van de onverwoorde verschijnselen, we gingen onze gang, in onze buurthuizen en moskeeën, die hoofdkwartieren van terrorisme zouden blijken, en plotseling knipte iemand de zaklantaarn aan. Als de familie Von Trapp knipperden we met onze ogen van achter onze schuilplaatsen. Daar zitten ze! We waren ontdekt, ontmaskerd, definitief herkend, als nieuwkomers (dat vond ik ook een aardige naam, ik voelde me er zo jong bij) of als verdachte achterblijvers, mensen die niet waren opgerot. Niet alleen door het uniform, niet alleen door wat ons deed opvallen, maar door het indringende, innerlijke. Want opvallend is één ding, aan de huidkleur kan niemand iets doen, hoewel daar wel aan gewerkt wordt in de cosmetische industrie.

Indringend is waar het mij om gaat, en indringend is ook waar het u, heer Philipse, om gaat, alleen schrijft u het zo onbeleefd en bozig op dat u uw doel voorbij schiet. Vergeet niet dat het in het leven niet alleen gaat om de inhoud, maar ook om de vorm. Wij niet-westerse allochtonen zijn goed in rituelen, ceremonieën, vormen, wij letten heel erg op onze toon. Uw toon is er een van een verongelijkte professor naar wie niet geluisterd wordt, en ik wil zo aardig zijn om het voor u op te nemen. U ziet, hulp komt altijd uit onverwachte hoek.

Wat u zegt is, hoewel ruw van toon, toch tamelijk optimistisch. U denkt namelijk dat de beginselen van de Westerse Beschaving zijn aan te leren via inburgeringscursussen. Hoe lang zouden deze cursussen moeten duren: zes maanden? Een jaar? Vier jaar? En zijn we dan klaar voor de Westerse Beschaving? Kun je ooit klaar zijn voor de Westerse Beschaving, kun je ooit het uniform van niet-westerling afleggen en plompverloren roepen: ik ben af? Kun je ooit, om het maar openlijk te zeggen, de achterstand inhalen? Het lijkt zelfs theoretisch onmogelijk: als ik ben waar u was, bent u al weer een stap verder. Hijgend en puffend komen we er aan, maar u wilt maar niet stil gaan staan, het is alsof uw motto is dat u, als u stil gaat staan, zult sterven. Ja, dat is een motto van de Westerse Beschaving, maar begrijpt u wel hoe vermoeiend het voor de achtervolger is?

Toch is het beeld van de achtervolging te eenvoudig. Het leren van de taal en een beetje van de geschiedenis zal nooit genoeg zijn om te zeggen: ik ben af. We missen namelijk een paar wezenlijke kenmerken van de Westerse Beschaving, kenmerken waar de Westerse Beschaving vele eeuwen over heeft gedaan, en dat moeten wij tribalen, zoals u ons noemt, met een cursusje van enkele maanden inhalen! Heer Philipse, ik krijg de indruk dat u meer weet van de islamitische beschaving dan van de westerse. De individuele autonomie waar u zo makkelijk over spreekt, weet u dat dat eeuwen heeft gekost, sinds Descartes? Met zijn vier woordjes `ik denk, dus ik ben' liet hij pardoes honderden volkeren en culturen achter zich. Dat Ik dat zich losmaakte van het woord van God en zich voortaan aan zijn eigen woord hield, dat Ik dat een geweten ontwikkelde, dat Ik dat dankzij Freud een onderbewuste kreeg, dat Ik dat een vrije wil had? Marx zei: mensen maken hun eigen geschiedenis, maar niet onder de omstandigheden die ze zelf kiezen. Vrij vertaald: wil, maar wil met mate.

Wij niet-westerlingen denken nog in termen van het lot, de voorbeschikking of deftiger: predestinatie. Vrije wil, keuze, eigen verantwoordelijkheid, zelfbeschikking, we vinden dat allemaal veel minder gewichtig dan de westerlingen. Alleen vlakbij de dood herinneren sommigen onder u zich nog iets van predestinatie, en ook mensen die zich spiritueel noemen denken daar nog iets van te begrijpen, maar zo spiritueel als wij zijn, kunt u nooit meer worden.

Het geeft een aangenaam gevoel van passiviteit en overgave als je niet zelfstandig hoeft te denken. Daar is God voor, en zijn vertegenwoordigers op aarde. Als ze zeggen dat wij ons moeten opblazen, ergens op een boulevard in Bali of een markt in Jeruzalem, dan is dat voor ons geen onoverkomelijk probleem. Wij zijn in principe goede zelfmoordenaars, met de kanttekening dat de toevoeging `zelf-' hier overdreven is.

Wie geen Ik heeft vormt geen eigen oordelen en heeft geen last van interpretatie, zelfs niet van eigen creativiteit. Waarom zouden wij dichten, als al het dichtbare al gedicht is, in de koran of de Mahabharata? Waarom zouden we interpreteren, als de letterlijkheid het altijd wint van elke figuurlijkheid? Waarom zouden we de menselijke conditie onderzoeken in muziek en romans en films als die conditie al is vastgesteld? Waarom zouden we zoeken naar motieven die zijn ingegeven door onderbewuste krachten, mentale afwijkingen, het onverwoorde gevoel van eenzaamheid en ongeluk, als we kunnen zeggen: hij heeft dat tasje van die dame geroofd, omdat hij niet luisterde naar God? Hij heeft zich opgeblazen omdat hij wel luisterde naar God?

U lijdt onder een innerlijke moraal, onder een vraag naar schuld en spijt, naar verlangen, streving en ambitie, wat zeg ik: zelfvervolmaking. Wij zijn al volmaakt, wij zijn volmaakte kinderen van God, het Lot, Karma of hoe dat ook heet. Ik gooi de steen, maar Hij bepaalt waar die neerkomt. Dat is de intifadah, kort samengevat.

Het vinden van het Ik was al een formidabele revolutie, maar daarop volgde de uitvinding van de machine, de industriële revolutie, waar u weinig over zegt. Het vervelende van uw machines is echter dat ze zo gebruiksvriendelijk zijn. Een machinegeweer is door een kind te bedienen, waarvoor onze hartelijke dank. We kunnen nu ook uw computers bedienen, uw mobiele telefoons en uw cd-spelers, om van het televisietoestel maar te zwijgen. Dat het bij ons niet is ingebed in een cultuur van vrije wil, verantwoordelijkheid, een bepaalde moraal en een bewustzijn van schuld, deert ons allerminst. Had u uw machinegeweer maar niet zo handzaam moeten ontwerpen dat elke door drugs of lust verdoofde niet-westerling daar misbruik van kan maken. En dat voorval van die vliegtuigen tegen uw wolkenkrabbers: is dat niet de ironie ten top? We kunnen die vliegtuigen en wolkenkrabbers niet bouwen, maar ze opblazen, dat kunt u rustig aan ons overlaten. Aan ons en de predestinatie.

Blijft de laatste revolutie over: u spreekt van gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, ik zou liever spreken van de revolutie van de Liefde. Men kan het ook feminisme noemen, de seksuele revolutie, de jaren zestig, de ontdekking van het vrouwelijke orgasme. Men kan er zelfs democratie bij onderbrengen, omdat je pas van een democratie spreekt als ook vrouwen meedoen. Tegenover het Ik van de egoïstische zelfvervolmaking staat de liefde die zich uit in solidariteit, gelijkheid, tolerantie. Men noemt dat soms broederschap, maar van broederschap hebben wij meer verstand, dat merkt u heel terecht op heer Philipse. Van broederschap zijn de zusters uitgesloten.

Hoe dit allemaal te leren? Hoe de revoluties te begrijpen, de uitkomsten te verinnerlijken, in een cursus? Ik ben vriendelijker dan u, meneer Philipse, maar wel pessimistischer. Ik zie meer heil in een paar duidelijke regels waar iedereen zich aan moet houden. Zonder emotie, zonder aanzien des persoons of des cultuurs, en zonder hoogmoed. Zo krijgen westerlingen en niet-westerlingen de kans om elkaar te verleiden, om te combineren, te spelen, te flirten en de liefde te bedrijven. Maar houdt op met die verschrikkelijke toon. Doe in hemelsnaam die zaklantaarn uit, laat ons nog even schuilen.

Anil Ramdas is columnist van NRC Handelsblad en directeur van De Balie. Dit is het derde deel in een serie. Morgen Frits Bolkestein over de Nederlandse identiteit. Eerdere artikelen zijn na te lezen op www.nrc.nl/opinie