Meedenken, maar altijd achter de schermen

Plotseling stond vorige week het gewoonlijk weinig spraakmakende Verwey-Jonker Instituut in het middelpunt van de belangstelling. Kan het instituut wel advies geven over het integratiebeleid terwijl het al jaren `meedenkt' met de overheid? ,,Wetenschap en beleid zijn verweven geraakt.''

Hans Boutellier voelt zich als herboren. De kersverse directeur van het Verwey-Jonker Instituut komt net terug van een drukbezochte persconferentie in Den Haag. Daar presenteerde hij, onder druk van een aanzwellende stroom negatieve publiciteit, het Bronnenonderzoek integratiebeleid. ,,Journalisten kwamen te kwader trouw binnen, maar we hadden een stevig verhaal en het wantrouwen ebde al snel weg'', stelt hij tevreden vast. ,,Ik heb tijdens die hele persconferentie niet één kritische vraag gehoord.''

Nog nagenietend van zijn zege neemt hij plaats achter de katheder in de burgerzaal van het Hilversumse gemeentehuis – het decor voor de aftrap van de lustrumviering van `zijn' instituut. Dit jaar bestaat het instituut tien jaar en dat moet groots gevierd worden, zegt hij. ,,We hebben een verschríkkelijke tijd achter de rug, maar ik geloof dat we ons blazoen hebben gezuiverd. Het wordt tijd dat we laten zien wat we waard zijn!''

De stemming in de zaal is mat. Ernstige blikken, weinig woorden. Alleen tijdens de powerpointpresentatie klinkt een bevrijdende lach. `Wat levert het onderzoek van het Verwey-Jonker instituut op', is de vraag die in beeld komt. Antwoord: `Aandacht in de media'. ,,Het filmpje is nog vóór alle commotie opgenomen'', fluistert een medewerkster.

Nooit eerder in zijn tienjarige bestaan heeft het Verwey-Jonker Instituut zo in het brandpunt van de belangstelling gestaan. Velen hadden tot voor kort nog nooit van het instituut gehoord, laat staan van zijn twee voorlopers die na een bezuinigingsronde moesten fuseren: het Nederlands Instituut voor maatschappelijk-werkonderzoek (Nimawo) en het Nederlands Instituut voor Marktonderzoek (Nimo). ,,Het waren twee culturen die bij elkaar kwamen'', zegt Koos Vos, die als voormalig Nimo-directeur de scepter over het Verwey-Jonker Instituut mocht gaan zwaaien. ,,En dat ging niet zonder slag of stoot.'' Maar de meeste aandacht ging uit naar de afbouw van subsidies. ,,We werden gestimuleerd zelf de markt op te gaan om opdrachten te verwerven. Dat was in het begin even slikken, ja.''

De toenmalige minister van WVC Hedy d'Anocona (PvdA) stelde als eis dat het instituut op den duur een minimale omvang van ongeveer 60 procent aan externe onderzoeksopdrachten ging verwerven. De overheid zou de resterende 40 procent voor haar rekening nemen. In 1993 bedroeg die subsidie, volgens Vos, nog zo'n 75 procent. Het instituut trok de onderzoeker Rally Rijkschroeff aan voor de verwerving van nieuwe opdrachten.

De eerste uitdaging was het vinden van een nieuw onderkomen, op neutraal terrein, want het Nimawo was gevestigd in Den Haag en het Nimo in Den Bosch. Het werd uiteindelijk Utrecht, waar het instituut is gevestigd in twee monumentale 17de-eeuwse panden aan de Kromme Nieuwegracht. De medewerkers van het eerste uur vonden dat de fraaie ornamenten in rococostijl, kroonluchters en spiegels meer bij de vorige bewoners paste de Credit & Effectenbank dan bij een beleidsstrategisch onderzoeksinstituut. Ze waren bang dat opdrachtgevers de omgeving `te chic' zouden vinden.

Met de naamgeving van het instituut had het personeel minder moeite. Vos: ,,Het bestuur had een prijsvraag uitgezet en vrijwel onmiddellijk rolde daar de naam Hilda Verwey Jonker uit, de sociologe die in 1945 promoveerde op een onderzoek naar armoede onder ouderen, in de jaren vijftig Eerste-Kamerlid was voor de PvdA en vooral bekendheid verwierf met een reeks spraakmakende artikelen over emancipatievraagstukken. Haar politieke, maatschappelijke en wetenschappelijke bijdragen waren een bron van inspiratie voor zowel het pas opgerichte instituut als de hele Nederlandse samenleving.''

De nu 95-jarige Verwey-Jonker zelf verzette zich aanvankelijk tegen de naamgeving. ,,Ik vond het geen pas geven een instituut te vernoemen naar een nog levend persoon. Waarom? Denk aan al die straatnamen die vroeger naar Lenin waren vernoemd. Na de Koude Oorlog raakte Lenin uit de gratie en zijn ze stuk voor stuk omgedoopt. Dat risico loop je dus.''

Partijgenote d'Ancona wist Verwey-Jonker over de streep te trekken. ,,Maar ik ben nog steeds niet gelukkig met de naamgeving'', zegt Verwey-Jonker met nadruk. ,,Mensen gaan ervan uit dat ik iets met dat instituut te maken heb. Dan zeggen ze `oh, denk jij zó over dat vraagstuk' en dan moet ik uitleggen dat het om een mening van het instituut gaat.'' Vos was de eerste én laatste directeur die haar wel eens een rapport toestuurde. Hij herinnert zich een discussie met Verwey-Jonker naar aanleiding van een studie naar ouderen die gaan samenwonen. ,,Ze vond het rapport oppervlakkig en eenzijdig.''

Medio jaren negentig verbetert de financiële positie van het instituut. De tijden dat directeur Vos aan het eind van de maand nog even met de bank moest bellen om de salarisbetalingen veilig te stellen (,,het rijk is geen vlotte betaler'') zijn voorbij. Het onderzoeksinstituut produceert een niet aflatende stroom rapporten over de meest uiteenlopende onderwerpen – van de kwaliteit van de huisartsenzorg in Flevoland tot het studeren met een handicap en uitkeringsfraude. De onderzoeken zijn doorgaans weinig spraakmakend en halen zelden de krantenkolommen. Het Verwey-Jonker zelf karakteriseert de studies als ,,beleidsgericht, evaluatief, strategisch en adviserend''.

Hoewel de productie van het instituut gestaag toeneemt, wil het met de naamsbekendheid niet erg vlotten. Vos treedt in 1999 vervroegd uit en maakt plaats voor de jonge amitieuze Jan-Willem Duyvendak, die volgens het toenmalige bestuur beter in staat was het instituut op de kaart te zetten en maatschappelijk debat te entameren. Duyvendak was drie jaar eerder benoemd tot hoogleraar Samenlevingsopbouw aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Via zijn leeropdracht breidde de onderzoeksportefeuille van het Verwey-Jonker Instituut zich uit naar het terrein van het opbouwwerk.

Duyvendak is een geboren netwerker. Hij was lid van de Vrom-raad, die regering en parlement adviseert over de duurzame kwaliteit van de leefomgeving. Vorig jaar schreef hij het GroenLinks-programma voor de Tweede Kamerverkiezingen. Het onderzoeksterrein breidde zich onder zijn leiding op een natuurlijke manier uit, aldus Duyvendak in een recent vraaggesprek met het blad Zorg + Welzijn. Het instituut was ,,de vragende en zeurende partij die steeds zei `zie die sociale problematiek alsjeblieft'. Het interessante van de afgelopen jaren was dat die problemen prominent op de agenda kwamen te staan en dat allerlei instellingen nu naar ons toekomen en vragen of we kunnen meedenken.''

Vooral in dat `meedenken' zag het Tweede Kamerlid Ali Lazrak een probleem. Tien dagen geleden stapte hij uit de parlementaire commissie die het integratiebeleid van de afgelopen dertig jaar onderzoekt. De SP'er, een erkend criticaster van de Nederlandse integratiepolitiek, verwijt de commissie dat ze uitgerekend het Verwey-Jonker Instituut heeft gekozen om het voorwerk te laten verrichten. Het instituut is, volgens Lazrak, de afgelopen jaren `hofleverancier' geweest van de kabinetten voor onderzoek en analyse op het gebied van integratie en hebben een uitgesproken mening over hoe de multiculturele samenleving er uit moet zien, onderzoekers van hen zitten in adviesraden van de overheid. ,,Dat staat een objectief oordeel over het integratiebeleid in de afgelopen decennia in de weg.''

Hoewel het aantal `multiculturele' rapporten van het Verwey-Jonker Instituut de afgelopen drie jaar fors is toegenomen – ,,het is verheugend te zien dat het instituut duidelijk vaker wordt gevraagd het feitelijk functioneren van de multiculturele samenleving te bestuderen'', schreef Jan Willem Duyvendak dit jaar nog in het jaarverslag – valt er geen eenduidige visie over de multiculturele samenleving uit op te maken. De onderzoekers leggen de nadruk op sociale cohesie en gelijke rechten – `allochtone organisaties verdienen meer speelruimte', `allochtone Rotterdammers moeten meer worden betrokken bij het verenigingsleven'. Maar van subjectiviteit lijkt geen sprake – al steken medewerkers hun privémening niet onder stoelen of banken. Zo tekende directeur Duyvendak vorig jaar nog het door GroenLinks geïnitieerde `Manifest voor de multiculturele samenleving', waarin werd geprotesteerd tegen ,,het disciplineringsdenken van Fortuyn en de zijnen''.

Vast staat in ieder geval dat van de vijftien rapporten die het instituut sinds 1996 over de multiculturele samenleving publiceerde, er geen enkele is toegespitst op het Nederlandse integratiebeleid. Slechts een kleine minderheid van de rapporten werd bovendien in opdracht van de overheid of gemeenten uitgevoerd; de rest staat op naam van fondsen of werd uit eigen beweging in gang gezet. De term `hofleverancierschap' lijkt niet te worden waargemaakt.

Kees Schuyt, hoogleraar sociologie en lid van de Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid: ,,Je kunt het Verwey-Jonker Instituut niet diskwalificeren omdat ze wel eens onderzoek op dit terrein hebben gedaan. Dan zouden álle onderzoeksinstituten de opdracht hebben moeten weigeren. Je moet kijken naar het eindresultaat en dat kan, voorzover ik uit de kranteberichten heb begrepen, de toets der kritiek doorstaan.''

Paul Scheffer, auteur van het Het multiculturele drama een drie jaar geleden gepubliceerd pamflet dat de discussie over het integratiebeleid nieuw leven heeft ingeblazen, is het niet met Schuyt eens. ,,Wie zich lezend een beeld vormt van de academische bemoeienis met het multiculturele vraagstuk, struikelt onmiddellijk over de grote mate waarin wetenschap en beleid verweven zijn geraakt'', zegt Scheffer hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Veel universitair onderzoek richt zich op het beleid, de overheden betalen op hun beurt tal van onderzoeksprojecten. De beleidsvoorstellen en de onderzoeksagenda zijn veelal verstrengeld, zodat de mogelijkheden tot intellectuele onafhankelijkheid worden beperkt. Het geheel maakt soms de indruk van een gesloten circuit.''

Een tweede punt van Lazraks kritiek is dat de parlementaire commissie geen moeite doet het netwerk van politici, onderzoekers, ambtenaren en beleidsadviseurs bloot te leggen. Niet alleen de opvattingen, maar ook de functies lopen door elkaar. ,,Je ziet dat de belangen voortdurend verstrengeld raakten. Wetenschappers deden niet alleen onderzoek, ze maakten ook onderdeel uit van adviescommissies van de overheid'', zei Lazrak in deze krant. ,,Daar had ik hen expliciet naar willen vragen in de verhoren, maar dat werd me verboden. Als je dat netwerk niet mag blootleggen, dan krijg je ook geen helder beeld van hoe het integratiebeleid in de afgelopen decennia tot stand is gekomen.''

De SP'er doelt onder meer op het bestuur van het Verwey-Jonker Instituut waarin prominente politici en bestuurders zitten. Het bestuur wordt op dit moment voorgezeten door de PvdA'er Ruud Vreeman, burgemeester van Zaandam die de functie heeft overgenomen van zijn partijgenoot Jos van Kemenade oud-commissaris van de Koningin in Noord-Holland. Penningmeester is Frank de Grave, vice-voorzitter van de VVD-fractie in de Tweede Kamer. Feiten en meningen over integratie van het Verwey-Jonker Instituut worden, volgens Lazrak, zo omgezet in concrete politiek en beleid.

Ruben Gowricharn, sinds vorig jaar hoogleraar Multiculturele en transnationale vraagstukken aan de Universiteit Tilburg, werd de afgelopen dagen veelvuldig genoemd als voorbeeld van die verwevenheid tussen wetenschap en beleid. Zijn leerstoel wordt deels door het Verwey-Jonker Instituut gefinancierd en hij is co-auteur van meerdere publicaties van het instituut. Gowricharm, als door een adder gebeten: ,,Maar wat wilt u daar nou mee zeggen? Dat ik niet onafhankelijk ben? Als hoogleraar krijg ik alle vrijheid mijn programma zelf in te vullen. Het probleem ligt niet bij mij, maar bij politici als Lazrak. Zij hebben een hekel aan de succesverhalen van het multiculturalisme!''

De kritiek op de verwevenheid van onderzoek en beleid zwelt aan, maar er vallen ook tegengeluiden te beluisteren. ,,Ik krijg een déjà vu-gevoel bij deze kwestie'', zegt Adriaan van der Staay, die bijna twintig jaar lang de scepter zwaaide over het Sociaal en Cultureel Planbureau ,,Om de vijf jaar wordt de verwevenheid aan de orde gesteld.'' De discussie wordt meestal aangezwengeld door onafhankelijke commerciële instellingen of universiteiten, die het werk van beleidsstrategische instituten als het SCP en het Verwey-Jonker ,,met argusogen volgen''. Van der Staay: ,,Jaloezie zou ik het niet willen noemen, maar ze hebben er wel moeite mee dat die instituten zo gemakkelijk aan hun opdrachten komen.'' Over de vermeende dwarsverbanden haalt hij zijn schouders op. ,,Het probleem ligt vooral bij de instituten zelf: hoe bewaar je je onafhankelijkheid én blijf je relevant. De praktijk leert dat je pas irrelevant wordt als je je onafhankelijkheid verliest.''