Jazz International Rotterdam is uiterst gevarieerd

Het leek wel alsof Martin Fondse het jazzmenu had bestudeerd en na uitgebreid wikken en wegen besloten had dat het eigenlijk allemaal wel erg lekker was. ,,Doe maar van alles eentje'', luidde de bestelling van de artistiek leider van Jazz International Rotterdam. En dus zag het programma van de derde editie van het festival eruit als een swingend smörgåsbord.

Een oude Amerikaanse held stond naast een jonge vertegenwoordiger van de nieuwe Franse jazz. Een klassiek ensemble gespecialiseerd in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bespeelde hetzelfde podium als een met popclichés stoeiende bigband. Er werd solo opgetreden maar ook met een duo, kwartetten en een 24-koppig gelegenheidsorkest. Een gloednieuwe band beleefde zijn première, maar er was tijdens acht optredens in drie dagen ook ruimte voor de wereldpremière van een onlangs opgedoken compositie uit de jaren vijftig.

In dit diverse aanbod vervulde de klarinet de rol van officieuze rode draad. Op vrijdag liet blazer Louis Sclavis tijdens het openingsconcert horen dat er in zijn `denkbeeldige folklore' plaats is voor zowel Franse volksmuziek en bop-idioom als de feedback van Jimi Hendrix en Kodály-achtige stukken voor gestreken bas en cello. En in het afsluitende, zondagse concert van de Ebony Band met gasten was een prominente plaats ingeruimd voor een trio klarinetten. Twee van die drie rietblazers, Claudio Puntin en Steffen Schorn, hadden al op zaterdag gezorgd voor een van de hoogtepunten van het festival. De Duitsers hadden met behulp van vijf klarinetten, twee fluiten, twee saxofoons en een mondharp een sprankelende show neergezet waarin de verklanking van een fruitmand nog de minst absurde onderwerpkeuze was. Met Schorn in het lage register en Puntin in het hoge wervelden de twee om elkaar heen in deze melodische estafette.

Met hun fantastierijke rietblazersexposé zetten ze bijna bassist Ron Carter, de ultieme `musician's musician', in de schaduw. De ritmische steun en toeverlaat van Miles Davis in de jaren zestig en een van de laatste der grote jazzmannen speelde twee bebop-stukken van epische lengte. Dat één daarvan ook nog Seven Steps to Heaven uit 1963 was deed nostalgici zuchten van verrukking. Pianist Stephen Scott en drummer Payton Crossley zorgden voor een degelijke basis waar de leider zijn instrument lichtvoetig overheen liet dansen. Alleen de aanwezigheid van percussionist Steve Kroon irriteerde. Die moest en zou alle belletjes, gongetjes en trommetjes gebruiken die hij op een grote tafel had uitgestald, waardoor het geluid soms overvol dreigde te raken.

Fondse zelf trad op vrijdagavond aan met zijn Groove Troopers. Het funky repertoire van deze band was verreweg het meest toegankelijke van wat er in De Doelen te horen was. Maar aangezien het zo verschilt van Fondse's gebruikelijke stijl, verraste het weer. De krachtige bassist Eric van der Westen wordt in 2004 de artistiek directeur van het festival.

De festivalspil van vorig jaar, Arend Niks, presenteerde zijn nieuwe band en dat bleek een prachtig vehikel voor Rotterdams talent als violist Jasper le Clerq en gitarist Andreas Suntrop. Terwijl de laatste met loop-pedalen zes laagjes gitaarflarden over elkaar heen legde, pikte Le Clerq telkens weer een ander element uit de mix om het te accentueren en de geluidsbalans weer een tikje te verschuiven. Ze bewezen dat de Maasstad niet alleen een geschikt podium is voor een jazzfestival maar ook een rijke bron.

Festival: Jazz International Rotterdam. Gehoord: 26, 27, 28/9 De Doelen, Rotterdam. VPRO zendt alle concerten uit in november op Radio 4.