Voor de zuiverheid van de sport

Staatssecretaris van Sport, Clémence Ross-Van Dorp, is vanuit de sportwereld fel bekritiseerd over aangekondigde bezuinigingen. Zij verdedigt haar beleid met hand en tand. ,,Ik vind niet dat ik de sport om zeep help.''

Clemencia Ignatia Johanna Maria Ross-Van Dorp (46) is beducht voor de aanval. Met rechte rug, open blik, innemende glimlach en heldere ogen die je voortdurend aankijken, bedient de staatssecretaris van Sport zich van verbale munitie in het gevecht met haar criticasters. De bezuinigingen die zij over de sportbonden heeft uitgestort, hebben tot verontwaardiging en vooral veel onbegrip geleid. De bewindsvrouw van het CDA heeft veel uit te leggen aan de sportsector, die het jaarlijks met achttien miljoen euro minder zal moeten doen. Maar Clémence Ross-Van Dorp is vastberaden zich niet door de felle oppositie opzij te laten zetten.

En als haar opposanten uit de sportwereld hun boosheid fulmineren, kan Ross-Van Dorp dat ook. Op felle toon: ,,Bij de meeste bonden is sprake van een Pavlov-reactie. Ze doen voorkomen alsof er in Nederland niet meer gesport kan worden zodra de subsidie voor huisvesting, personeel en competities wegvalt. Dat zou wel een heel treurige conclusie zijn. Dan zou de volledige infrastructuur in de sport afhankelijk zijn van het rijk. Ik mag toch hopen dat dat niet het geval is; in zo'n land leven we niet. Ik ben er namelijk van overtuigd dat de bonden zelf hun broek kunnen ophouden.''

De staatssecretaris heeft dat ook laten uitrekenen, zegt ze. Met aangezette verontwaardiging: ,,Vanzelfsprekend heb ik gekeken naar wat de leden van sportbonden extra moeten bijdragen als de subsidie voor instandhouding van hun federatie wegvalt. En dat valt mee, vind ik. Voor een lid van de tennisbond komt dat neer op verhoging van jaarlijks 88 eurocent. En voor zover ik heb kunnen nagaan, kan bij kleine bonden de verhoging oplopen tot maximaal tien euro per lid per jaar. Maar het loopt zeer beslist niet in de tientallen euro's, zoals ook al is gesuggereerd. Ja, ik vind tien euro een aanvaardbare vermeerdering. De bonden zullen alleen aan hun leden goed moeten uitleggen dat het wat waard is een eigen, landelijke organisatie in stand te houden. Want die bond maakt het wel mogelijk dat de leden competitie spelen en soms zelfs in het buitenland mogen sporten.''

Kom bij de staatssecretaris niet aan met het verwijt dat de maatregelen het gevolg zijn van een kille, boekhoudkundige sanering. Zij zal tegenwerpen dat het beleid wel degelijk op een filosofie is gebaseerd. Ross-Van Dorp: ,,Er is een principiële keuze gemaakt. Het rijk is er namelijk niet voor om een bondsbureau of een competitie in stand te houden. Ik vind ook dat de verhoudingen zuiverder zijn als een sportbond voor die zaken niet bij mij de hand moet ophouden. Mijn opvatting is dat bonden niet gesubsidieerd moeten worden vanwege het simpele feit dat ze bestaan, maar om wat ze doen. Trouwens, deze maatregelen zouden ook zijn genomen bij economisch goede tijden. Het is voor mij een kwestie van verantwoord omgaan met belastinggeld. En als de Tweede Kamer zegt dat de bonden wel met overheidsgeld in stand gehouden moeten worden, hebben we een fundamenteel verschil van mening.''

Ross-Van Dorp huldigt het standpunt dat een subsidie hoe dan ook niet structureel moet zijn. ,,Een subsidie is daar niet het geëigende instrument voor; zij behoort tijdelijk van aard en ter ondersteuning en ter stimulering te zijn'', vindt de staatssecretaris. ,,Een deel van de losgebarsten kritiek is ook gebaseerd op primaire reacties. Maar het argument `we hebben er niet zo veel zin in', vind ik niet het meest steekhoudende. Er zijn ook bonden die de tering naar de nering zetten en wél efficiency weten te bereiken. Kijk naar de bonden die in een verleden met financiële problemen zijn geconfronteerd en hun organisatie rendabel hebben gehouden door samen te werken. Zie de vijf sportbonden die in Utrecht één accommodatie en personeel delen en toch hun profiel stevig overeind houden. Het kan dus op een andere manier. Meer bonden zouden zo'n samenwerking moeten overwegen. Waarom zou je een mooie accommodatie niet delen?''

De oppositie tegen de bezuinigingsoperatie is groot, maar volgens Ross-Van Dorp ook weer niet onwrikbaar. In de kritiek van voorzitter Hans Blankert van de sportkoepel NOC*NSF meent zij een toon van redelijkheid te hebben ontdekt. En in de bezwaren van Tweede-Kamerlid Joop Atsma, de sportwoordvoerder van het CDA en voorzitter van de wielrenunie KNWU, veronderstelde de staatssecretaris zelfs enig begrip te hebben gehoord. ,,Ik heb hem voor de radio duidelijk horen zeggen dat sportbonden niet louter om hun bestaan maar om hun activiteiten gefinancierd moeten worden. Als het gaat om instandhouden en algemeen functioneren, vertaal ik dat gemakshalve in: daar valt over te praten.'' Waarbij zij opgemerkt dat Atsma wel een partijgenoot is.

Daar tegenover staat Tweede-Kamerlid Jan Rijpstra, sportwoordvoerder van CDA's coalitiepartner de VVD, die zich zonder voorbehoud uitsprak tegen de bezuiniging van achttien miljoen euro op de sportbegroting. Hij zei letterlijk voor zo'n ingreep geen verantwoordelijkheid te willen nemen. Geconfronteerd met die opvatting reageert Ross-Van Dorp formeel, maar fel. ,,Als Rijpstra minder wil bezuinigen, zeg ik: kijk ook even naar het regeerakkoord. Weet waar jij je handtekening onder hebt gezet. Coalitiepartners moeten daar eenvoudigweg rekening mee houden. Die kwart bezuiniging is een taakstelling uit dat regeerakkoord. En wat ik doe is niets anders dan daar uitvoering aan geven. Laat de sport blij zijn dat ik niet de kaasschaaf heb gehanteerd, maar heel gericht te werk ben gegaan. Dankzij die keuzes valt de schade mee. Subsidies voor kadervorming, topsport, sportmedisch beleid en talentontwikkeling heb ik bijvoorbeeld ongemoeid gelaten.''

De bezuinigingen die afgelopen maandag zijn afgekondigd, leiden desondanks tot een korting van tien miljoen euro op de sportbegroting. Maar daarmee is de sport niet klaar, want er volgt nog een bezuinigingsronde op projectsubsidies tot maximaal acht miljoen euro. Daarover wordt de Kamer binnenkort ingelicht. In november volgt dan de begrotingsbehandeling en zal blijken of de Kamer de opvattingen van de staatssecretaris deelt. Als Ross-Van Dorp die steun krijgt, zal 's rijks begroting van 76 miljoen euro terugkeren op het niveau van 2001, toen er nog 58 miljoen euro aan de sport werd uitgekeerd. Een ontwikkeling die haaks staat op uitspraken van partijleiders, die zich minder dan twee jaar geleden in verkiezingstijd bij een openbaar debat nog unaniem uitspraken voor verhoging van het sportbudget. Er werden destijds bedragen genoemd die varieerden tussen de honderd en tweehonderd miljoen euro.

Die mooie woorden blijken nu een illusie te zijn, moet Ross-Van Dorp erkennen. ,,En de economische situatie in ogenschouw nemend, zou het ook bij de wilde spinnen af zijn als de sportorganisaties er geld bij zouden krijgen. Dat zou niet realistisch zijn'', zegt zij. ,,Desondanks wordt sport minder zwaar aangeslagen dan veel andere sectoren. Aan de welzijnskant is het nog erger; daar worden organisaties voor de jeugd voor de volle honderd procent gekort. De sport wordt ten dele zelfs ontzien, want vijf miljoen euro wordt geherinvesteerd in projectsubsidies.''

Dat de topsport niet hoeft in te krimpen billijkt Ross-Van Dorp vanwege de uitstraling. ,,Ik investeer vooral in talentontwikkeling; dat blijft ook een speerpunt van mijn beleid. Ik vind het belangrijk dat breedtesport aansluiting houdt met topsport. De bijdragen aan de Nederlandse olympische ploeg blijven ook ongemoeid, evenals de stipendiumregeling voor topsporters. Ik voel evenmin voor een korting op het accommodatie- en evenementenfonds, zoals vanuit de Kamer is geopperd. Daarmee worden weer anderen gedupeerd. Bovendien bestaat die regeling nog maar een paar jaar. Ik denk dat met projectsubsidies onze doelstellingen gehaald kunnen worden. Besef wel dat de overheid op jaarbasis nog steeds veel geld in de sport kan investeren.''

Wat niet wegneemt dat Ross-Van Dorp begrip heeft voor de emoties die haar ingrepen teweegbrengen. Zij stelt daar tegenover dat de burger zich dient te realiseren hoe goed het Nederland de laatste jaren goed is gegaan. En nu de recessie is aangebroken, verwacht zij iets meer realiteitszin. ,,De afgelopen jaren stroomde het geld zo wat over onze schoenen en daar is volop van geprofiteerd. Ik weet nog dat bij begrotingsbehandelingen en algemene beschouwingen de karretjes met miljarden werden rondgereden en iedereen naar believen kon shoppen. Nu we in mindere tijden zijn beland, vind ik dat we allen onze verantwoordelijkheid moeten nemen. En dat geldt zeker voor de sportorganisaties. Ik doe dat vanuit de overheid, maar als ik dan een appèl doe op de sportbestuurders, vind ik niet dat er een beeld moet worden geschetst alsof de Nederlander zich plotseling niet meer kan bewegen; dat is wel een erg simpele voorstelling van zaken. Ik vind niet dat ik de sport om zeep help. We moeten met ons allen ook niet al te dramatisch over die bezuinigingen doen. Het is jammer, ik had het ook liever anders gezien, maar een fundamentele heroriëntatie op de verhouding tussen sport en overheid zou hoe dan ook noodzakelijk zijn geweest.''

NOC*NSF-voorzitter Blankert zag met de bezuinigingsoperatie zijn kans schoon om het `huis van de sport' weer onder de aandacht te brengen. Het wil namelijk niet vlotten met de plannen van de sportkoepel om op het nationaal sportcentrum Papendal de krachten van veel bonden te bundelen, omdat er vooral wordt aangehikt tegen de decentrale ligging. Blankert hoopt dat de gewijzigde financiële omstandigheden onwillige bonden tot een nieuwe afweging zal dwingen. Hij vindt Ross-Van Dorp aan zijn zijde. In haar opvatting combineert ze pragmatisme met een knipoog. ,,Het zou uit de mond van een staatssecretaris die in de Achterhoek (Breedenbroek, red.) woont raar klinken als zij Papendal zou afwijzen. Ik vind hoe dan ook dat het niet uitmaakt waar je zit; het gaat om de kwaliteit die wordt geleverd. Ik ben ook tegen die randstedelijke benadering dat alleen iets in de Randstad meetelt en daarbuiten niet.''

Met veel interesse volgt Ross-Van Dorp de discussie die nu in Vlaanderen wordt gevoerd over een kandidaatstelling voor de Olympische Spelen. De Vlaamse minister-president Bart Somers en de minister van Sport Marino Keulen laten de haalbaarheid onderzoeken en daarbij wordt met een schuin oog naar Nederland gekeken. Maar de Nederlandse staatssecretaris blijft terughoudend. ,,Als de Vlamingen met een verzoek komen om Nederland op enigerlei wijze bij die plannen te betrekken, hoor ik het graag. Maar vooralsnog staan de Olympische Spelen niet op mijn netvlies, al is het alleen maar omdat wij ons momenteel geen grote investeringen kunnen veroorloven. Bovendien heb ik vanuit de sportwereld nog geen adhesiebetuigingen gehoord. Bij mij speelt het niet. Ik heb wel andere zaken aan mijn hoofd.''