Stop de tribalisering van Nederland

Het Nederlandse integratiebeleid moet geënt zijn op de grondbeginselen van de westerse beschaving zoals die zich sinds de Verlichting heeft ontwikkeld, vindt Herman Philipse.

Het lijdt geen twijfel dat de integratie van niet-westerse allochtonen de komende decennia hoog op de politieke agenda zal staan. De commotie rondom de parlementaire onderzoekscommissie integratiebeleid is symptomatisch voor de verwarde wijze waarop wij in Nederland dertig jaar lang met dit probleem zijn omgegaan. Alarmerender nog dan de zwakke samenstelling van deze commissie, die bij haar keuze van het onderzoeksinstituut de schijn van partijdigheid niet heeft kunnen vermijden, is het recente onderzoek van het Kohnstamm-instituut, volgens hetwelk de segregatie op Amsterdamse scholen bijvoorbeeld niet meer valt terug te dringen. Van de 201 basisscholen in Amsterdam zijn op 127 scholen allochtonen van laag-opgeleide ouders in de meerderheid; 54 zijn zelfs vrijwel geheel allochtoon. De meerderheid van de schoolgaande jeugd is van allochtone afkomst.

Deze gegevens roepen het schrikbeeld op van een ontwikkeling die kan uitmonden in een verregaande tribalisering van de grote steden in Nederland. Een situatie dreigt te ontstaan waarin cultureel sterk verschillende bevolkingsgroepen weinig contact met elkaar onderhouden en elkaar onvoldoende vertrouwen om in goed burgerschap samen te leven. Voeg hierbij het gegeven dat autochtone Nederlanders een minderheid gaan vormen en men krijgt een weinig rooskleurig perspectief voor een klein en uitzonderlijk dichtbevolkt land als het onze. Discussies over de voor- en nadelen van concrete maatregelen ter bestrijding van allerlei ongewenste effecten worden met verve gevoerd. Maar het wordt ook tijd de grondslagen van het integratiebeleid opnieuw te formuleren.

Aanvankelijk was onze politieke elite van mening dat integratie van niet-westerse allochtonen zou kunnen en moeten plaatsvinden `met behoud van de eigen (culturele) identiteit'. Dit beleid ging uit van de stilzwijgende veronderstelling dat de cultuurverschillen ten opzichte van de westerse cultuur niet zo groot zijn dat ze de sociaal-economische en politieke integratie van immigranten in de weg zouden staan, of de Nederlandse samenleving zouden kunnen ontwrichten. Inmiddels merken we dat deze veronderstelling vaak niet klopt en dat het voor immigranten uit niet-westerse landen onmogelijk is economisch, sociaal en politiek te integreren zonder een diepgaande culturele assimilatie.

Om dit in te zien, moet men culturele verschillen bestuderen, zoals die bijvoorbeeld bestaan tussen enerzijds `de' westerse cultuur en anderzijds `de' cultuur van overwegend tribale islamitische samenlevingen van de Arabische landen, Afghanistan, en islamitisch Afrika (Soedan, Somalië, Algerije, Marokko, enz.), waartoe ook de Koerden en een deel van het Turkse en Iraanse platteland behoren. De ruim 50.000 gastarbeiders uit Turkije en Marokko die Nederland rond 1970 telde, waren overwegend uit dit type cultuurkring afkomstig, een groep die inmiddels door gezinshereniging en geboorteaanwas is uitgegroeid tot meer dan 600.000 mensen. Daarnaast wonen in Nederland aanzienlijke groepen vluchtelingen uit Afghanistan, Soedan, Somalië, Irak, enz. Het totale aantal niet-westerse landgenoten bedraagt nu ruim anderhalf miljoen en zal volgens de voorzichtige prognose van het CBS doorgroeien tot een kleine drie miljoen in 2030. De hieronder genoemde cultuurverschillen zijn weliswaar gradueel maar toch bemoeilijken ze in sterke mate de integratie. Ze zijn deels te verklaren door het tribale karakter van deze samenlevingen en deels door de islam zoals die aldaar nog steeds in praktijk wordt gebracht.

Mensen kunnen niet samenleven zonder onderling vertrouwen.

Terwijl in de westerse cultuur dit vertrouwen is geformaliseerd en berust op de verwachting dat de ander zich zal houden aan regels, wetten en contracten, is het vertrouwen in meer tribale samenlevingen beperkt tot leden van de eigen groep, clan, of dorpsgemeenschap. Tegenover buitenstaanders en andersdenkenden heerst vaak diep wantrouwen. Zoals Pryce-Jones schrijft in zijn uitstekende boek The Closed Circle. An Interpretation of the Arabs, staat de schaamte/eer moraal van tribale samenlevingen op effectieve wijze in de weg bij het ontstaan van meer open typen van intermenselijke relatie. De aanwezigheid van een aantal grote tribale minderheden kan dus de Nederlandse samenleving ontwrichten doordat het onderlinge menselijk vertrouwen erodeert.

Een voorwaarde voor de wetenschappelijke en economische vooruitgang die het Westen typeert, is het vermogen zichzelf te verbeteren door zelfkritiek en door te leren van kritiek door anderen.

In tribale samenlevingen is (openlijke) zelfkritiek echter in strijd met de eer: door zelfkritiek toont men zich de zwakkere. Veel auteurs hebben opgemerkt dat bijvoorbeeld in Arabische landen men zich zelden verantwoordelijk stelt voor politiek feilen en humanitaire catastrofes. Altijd hebben ánderen de schuld, zoals het zionisme, het kolonialisme, het imperialisme, en het Westen in het algemeen. De absolute waarheidsaanspraken van de islam versterken dit onvermogen tot zelfkritiek nog, zoals blijkt uit de islamitische opvoeding, waarin `de ongelovige hond' van alles de schuld krijgt. Een openlijke kritische discussie over de islam tussen moslims en ongelovigen is vrijwel onmogelijk, terwijl die toch een noodzakelijke voorwaarde is voor de modernisering van deze godsdienst. Ook het verschijnsel van een kritisch publiek debat is in islamitische landen onbekend (Turkije vormt hierop wellicht een positieve uitzondering).

Terwijl de westerse cultuur na de renaissance steeds individualistischer is geworden, overheerst de groep het leven in genoemde culturen.

De morele categorieën van eer en schaamte zijn wezenlijk met de groep verbonden. Zoals de Egyptische auteur Mansour Khalid schrijft, zijn ,,die gedragingen eervol die de groep versterken''. Een man kan zijn eer verliezen doordat een zusje of nichtje haar geloof afzweert, met een ongelovige bevriend is, of voor het huwelijk met iemand naar bed gaat. Het vermoorden van `onteerde' jonge vrouwen door hun vaders of broers is in Nederland geen onbekend verschijnsel, ofschoon er geen statistieken over bestaan. De schrijnenste slachtoffers van het `multiculturele drama' zijn stellig de talrijke islamitische meisjes die verlangen naar vrouwenemancipatie, maar daarvan door gewelddadige groepsdwang worden afgehouden. De islam bekrachtigt dit primaat van de groep doordat de gelovige moslim zich moet onderwerpen aan Allah in plaats van zelfstandig zijn weg door het leven te zoeken.

In de westerse cultuur is het geboden onderlinge conflicten geweldloos op te lossen, terwijl de staat geacht wordt het monopolie op geweld te bezitten.

Dit is anders in tribale samenlevingen: het gebruiken van geweld is een wezenlijk onderdeel van conflictoplossing en in veel situaties verliest men zijn eer als men geen geweld gebruikt. Regerende klieks in arabische landen zijn tribaal van aard en moeten hun onderdanen wreed onderdrukken omdat ze voortdurend worden uitgedaagd door concurrerende groepen, zodat een dialectiek van machtsverwerving en uitdaging het geweld gaande houdt. Nederland is inmiddels het Madurodam van dergelijke groepsconflicten geworden. Alleen de Hollander die door onwetendheid de onderliggende groepsmoraal van eer en schaamte niet doorgrondt, spreekt hier van `zinloos geweld'. Juist doordat dit geweld door de betrokkenen als zinvol, ja zelfs als onvermijdelijk voor het behoud van eer wordt ervaren, is het moeilijk tegen te gaan.

Wat mensen in westerse samenlevingen zeggen te doen en te zullen doen correspondeert in het algemeen met hun werkelijke intenties en daden.

Natuurlijk zijn er leugenaars en bedriegers maar zij worden als onbetrouwbaar ter zijde geschoven door het contractuele en regelgeleide patroon van de westerse cultuur. In tribale samenlevingen is liegen en bedriegen niet zozeer een moreel feilen, maar eerder een methode om eer en status hoog te houden, schaamte te vermijden, en mogelijkheden uit te buiten. ,,Als de eer het vereist, kunnen leugens en bedrog absolute geboden worden'', schrijft Pryce-Jones. Degene die geen gebruik van deze middelen weet te maken, is eerder onnozel dan integer. Ook Pierre Bourdieu benadrukt dat bedrog bij transacties, valsspelen, en het afleggen van onware getuigenverklaringen absoluut niet in strijd is met de `eer'. Integendeel, men is de ander gewoon slimmer af, wat zeker bij transacties met ongelovigen en andere buitenstaanders handig is.

In westerse samenlevingen is na honderd jaar ijveren de gelijkwaardigheid van man en vrouw algemeen erkend en wettelijk vastgelegd.

Dit is nog anders in de genoemde tribaal-islamitische culturen, ook al maakt men het niet overal zo bont als in Afghanistan onder de Talibaan of in het wahabitische Saoedi-Arabië. Een probleem is natuurlijk dat Allah volgens de koran de man boven de vrouw heeft bevoorrecht. Voorts rechtvaardigt de koran vrouwenmishandeling, dagelijkse praktijk in nogal wat moslimgezinnen. Zo staat in de vierde soera, vers 34, van de koran geschreven: ,,De deugdzame vrouwen zijn dus onderdanig (aan de man);...zij van wie jullie ongezeglijkheid vrezen, vermaant haar,... en slaat haar.''

Het meest bedenkelijke aspect van de islam is dat deze godsdienst de vrijheid van geweten onvoldoende erkent.

Bernard Lewis schrijft in The Crisis of Islam dat er geen vergeving kan zijn voor de renegaat, degene die het ware geloof heeft gekend en het heeft afgezworen. ,,Volgens de overgrote meerderheid van de rechtsgeleerden moet de renegaat ter dood gebracht worden – als hij tenminste manlijk is. Voor vrouwen kan de mindere straf van zweepslagen en gevangenschap volstaan.'' Zoals Ibn Warraq schrijft in Leaving Islam, is ,,geloofsafval in vele islamitische landen zoals Iran en Pakistan nog steeds strafbaar met lange gevangenisstraffen en zelfs met de dood''.

Voor andere groepen immigranten dan de bovengenoemde, zoals Antillianen, Nigerianen, mensen uit Sierra Leone, Angola, Congo, enz., zijn er deels andere verschillen tussen de cultuur van herkomst en de Nederlandse cultuur. In alle gevallen geldt echter dat geslaagde economische en politieke integratie ondenkbaar is zonder verregaande culturele assimilatie. In feite is het officiële beleid van integratie met behoud van de eigen culturele identiteit natuurlijk al gedeeltelijk verlaten. Er zijn verplichte inburgeringscursussen gekomen, het beleid gericht op Onderwijs in Allochtone Levende talen is stop gezet, en de vestiging in Nederland is bemoeilijkt. Maar de beginselen van een nieuw beleid worden door de regering nog steeds niet helder geformuleerd en uitgedragen.

Daardoor zadelt men niet-westerse allochtonen op met een dubbelzinnig signaal. Enerzijds is duidelijk ,,dat degenen die succes hebben in Nederland juist degenen zijn die voor de (bijna) volledige deelname aan de Nederlandse cultuur kiezen'', zoals Paul Schnabel schrijft in De multiculturele illusie. Anderzijds spiegelt men hun nog voor dat integratie in Nederland geen diepgaande culturele assimilatie vergt, zodat de vaak pijnlijke keuzen die niet-westerse immigranten moeten maken om hier te slagen, worden verhuld. Deze onhelderheid werkt instrumenteel gedrag van immigranten in de hand: ze profiteren van de Nederlandse voorzieningen zonder het gevoel te hebben een positieve bijdrage te moeten leveren aan onze samenleving.

Mede gezien de culturele verschillen tussen de onderscheiden groepen niet-westerse immigranten onderling moet het integratiebeleid principieel gericht zijn op culturele assimilatie aan de grondbeginselen van de westerse beschaving zoals die sinds de Verlichting gestalte heeft gekregen. Deze beginselen moeten in alle inburgerings- en taalcursussen worden uitgedragen en een plaats krijgen in het onderwijs vanaf de basisschool. Ik denk dan met name aan het beginsel van individuele autonomie in de keuze van beroep, partner, en levensovertuiging; aan de vrijheid van meningsuiting en van publieke discussie met andersdenkenden, ook over religies zoals de islam; aan de fundamentele gelijkwaardigheid van man en vrouw en aan de scheiding tussen kerk en staat. Mono-ethnische islamitische scholen die gericht zijn op het land van herkomst bemoeilijken de integratie van hun leerlingen en moeten daarom geen vergunning krijgen.

Deze nieuwe grondslag van het integratiebeleid vergt een cultuuromslag bij vele politici en overheidsfunctionarissen. Zij moeten bijvoorbeeld ophouden te zeggen dat de vrijheid van meningsuiting haar grenzen vindt waar het uiten van een opinie bevolkingsgroepen kan kwetsen. Zoals bekend, worden de meeste moslims gekwetst door elke kritiek op de islam, hoe redelijk en terecht die kritiek ook is. In plaats van islamitische overgevoeligheden in bescherming te nemen zoude politici er beter aan doen de culturele waarde van publieke discussie te verdedigen. Alleen als alle bewindspersonen een voorbeeldfunctie vervullen door de waarden van de westerse cultuur door woord en daad uit te dragen, zullen jongeren, afkomstig uit niet-westerse cultuurkringen, ertoe geïnspireerd worden de verstikkende deken van groepscontrole af te werpen die een goed functioneren in de Nederlandse samenleving belemmert.

Prof.dr. H. Philipse is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Dit is deel twee van een serie. Deel één verscheen gisteren. Maandag: Anil Ramdas over de onmogelijkheid van integratie