Ruim baan voor de Meesterverteller

In Nederland is de verscheidenheid aan kinderboeken veel groter dan in de meeste andere landen. Wat nog miste, waren de boeken die zowel kinderen als volwassenen kunnen boeien. Maar ook die komen er nu aan.

Ssst, het is nacht. De Dievenkoning sluipt door de straten van Venetië, de stad van de maan. Zijn zwarte cape wappert achter hem aan, terwijl hij geluidloos voortsnelt. Zijn gezicht zit verstopt achter een masker met een lange zwarte vogelneus. Niemand kent zijn ware aard.

De dievenbende van Scipio van Cornelia Funke, onlangs verschenen bij uitgeverij Querido, is zo'n boek waar je als volwassen lezer naar kunt verlangen, waar je met een zekere heimwee aan denkt. Zo'n opslorpende geschiedenis, spannend en mysterieus, die de oren rood doet kleuren en de blik glazig maakt. Zo'n vuistdik boek dat uit moet, in een ruk. Zo'n boek waar je als lezer in wilt stappen, waar je deel van uit wilt maken. Een meesterlijke vertelling. Een kinderboek.

Joanne Kathleen Rowling heeft de weg geëffend. Sinds zij in 1998 de wereld begoochelde met haar debuut Harry Potter en de Steen der Wijzen, hebben uitgevers, ook in Nederland, hun deuren wijd open staan voor de Meestervertellers. Meestervertellers maken boeken die jong en oud kunnen bekoren. Groots en meeslepend mag het zijn, doorspekt met de nodige humor én vol verstopte betekenislagen.

Dit soort boeken kent in Nederland nauwelijks enige traditie, al hebben wij hier sinds de jaren '70 de meest gedurfde jeugdliteratuur van Europa. Hier kunnen dingen in kinderboeken waar onder meer Fransen, Duitsers en Britten meestentijds voor terugdeinzen. Homo-ouders bijvoorbeeld, of kinderen die mishandeld worden. Seks, drugs en eigentijdse muziek, vooral in boeken voor jongeren. Geen felrealistisch onderwerp wordt geschuwd. Alleen de Scandinavische landen hielden min of meer gelijke tred.

In het realistische genre is Nederland een voorloper. Een groot verschil met Scandinavië is, dat in Nederland dit soort `verhaalingrediënten' niet per se het hele boek hoeven te bepalen, al zijn er hele oeuvres, zoals dat van Carry Slee sinds 1989, waarvoor dat wel geldt. Guus Kuijers Madelief, die voor het eerst het licht zag in Met de poppen gooien (1974), groeit op zonder haar vader. Het was Kuijer niet te doen om dit als probleem aan de orde te stellen, net zomin als zijn Polleke-verhalen van de laatste jaren in eerste instantie zouden gaan over de worsteling van een meisje met haar junkievader en hoe zij uiteindelijk boven komt. De Madelief-cyclus en de Polleke-reeks zijn vooral zeer natuurlijk en onnadrukkelijk klinkende portretten van kinderen, waarbij de wereld door hun ogen wordt bezien. Zulke boeken verouderen niet. Maar sprookjesachtig of mysterieus meeslepend zijn ze niet.

Ook wat betreft de vorm is het Nederlandse kinderboek lang zijn tijd vooruit geweest. Hier wordt niet alles voorgekauwd en uitgelegd. Hier treedt niet standaard een alwetende verteller op die zijn lezertjes bij de hand neemt en ze de weg wijst, de weg naar het juiste inzicht. Els Pelgrom en Thé Tjong-Khing maakten in 1984 Kleine Sofie en Lange Wapper, een bizarre droomreis van een doodziek meisje met haar poppen en knuffelbeesten naar Wat Er In Het Leven Te Koop is. Nergens staat met zoveel woorden dat het een verzoenende tocht naar de dood is. Toon Tellegen debuteerde in hetzelfde jaar als kinderboekenschrijver met zijn eerste bundel filosofische en fijngevoelige dierenverhalen. Verhalen waarin, voor een kinderboek, opvallend weinig gebeurt dat niet `talig' is. Tellegen schrijft over woorden en hun betekenis, niet over meer tastbare geheimen of menselijke drijfveren.

Tot in het prentenboek aan toe experimenteren Nederlandse auteurs en illustratoren sinds de vroege jaren '80 in de manier waarop een verhaaltje, hoe eenvoudig ook, zich laat vertellen. Prachtige boeken heeft het opgeleverd, maar je associeert ze niet direct met `lekker lezen'. Zo kende Nederland lange tijd een scherpe scheiding van enerzijds `literaire' kinderboekenauteurs die in de eerste plaats voor zichzelf zeggen te schrijven, kunstenaar willen zijn, en anderzijds schrijvers die vooral denken aan wat kinderen zouden behoeven, van regelrechte stichting tot het geven van een steun in de rug.

Dit veelbediscussieerde, scherpe onderscheid kwam tot uitdrukking in de bekroningen voor kinderboeken die in Nederland bestaan: het eerste soort schrijvers ontving doorgaans de Griffels en de Penselen, toegekend door een volwassen jury, het andere soort de Prijzen van de Kinderjury, de publieksprijzen, door kinderen middels stemformulieren toegekend. Het puikje van de zalm en de grootste gemene deler: daartussen bestond lange tijd weinig tot niets.

Eén soort auteur kwam in de verdrukking: de Meesterverteller. Een Meesterverteller vertelt een verhaal dat zowel een pageturner is als een doordenkertje, dat spanning en diepgang combineert. Boeken zoals Roald Dahl ze maakte, of Dianna Wynne Jones, of Ottfried Preussler. Dat is in Nederland lange tijd een zeldzaam slag geweest, enkele uitzonderingen als Tonke Dragt en Paul Biegel daargelaten.

De hernieuwde belangstelling voor het meeslepende, dikwijls magisch gekruide avonturenverhaal heeft met Harry Potter vaste voet aan Nederlandse grond gekregen. Toch waren er in de jaren voor `H.P.' al tekenen van een kentering, voor een verruiming van het aanbod aan kinderboeken in Nederland. In 1991 maakte de Griezelbus zijn eerste huiveringwekkende tochtje. Paul van Loon liet met veel succes een schoolreis ontsporen naar de `Andere Werkelijkheid', een wereld vol vampiers, weerwolven en wat dies meer zij. Tot doordenken noodden zijn boeken echter niet of nauwelijks. Van Loon slaagde er niet in zich tot een waar Meesterverteller te ontpoppen, net zomin als zijn talrijke navolgers.

Inmiddels is griezelen uit en magie in. En niet alleen magie en sprookjesachtige verhalen zijn in opkomst. Een ander effect dat toe te schrijven is aan de onverminderd populaire boeken over de tovenaarsleerling Harry Potter is dat er ook in andere genres steeds meer `cross over'-boeken verschijnen. `Cross over' is een modewoord, maar wel een passende term voor vooral de intentie van de groeiende groep Meestervertellers uit Nederland en de rest van de wereld.

Meestervertellers maken boeken die zowel op een kinder- als een volwassenenpubliek mikken en behalve meeslepend en spannend, grensverleggend en blikverruimend zijn. Boeken als Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon (2003), waarin een autistische jongen de moord op een hond oplost. Het verscheen zowel in een uitvoering voor kinderen als in een voor volwassenen. Of Floortje Zwigtmans knappe poging het kwaad in de mens te beschrijven en te verklaren, het vuistdikke Wolfsroedel (2002). En zelfs nonfictieboeken als Ted van Lieshouts persoonlijke kunstbeschouwing Papieren Museum (2002) en Bas Harings Kaas en de evolutietheorie (2001). Allemaal lekkere leesboeken die jong en oud kunnen boeien, die toegankelijkheid aan persoonlijkheid en kunstenaarschap paren.

Natuurlijk blijft er altijd wat te klagen en is minstens de helft van de boeken die uitgelokt door Harry Potter het licht zagen, weinig meer dan een mislukte kloon. Maar de jeugdliteratuur in Nederland is er hoe dan ook bij gebaat dat de Meestervertellers nu ruim baan krijgen, naast de, om zo te zeggen, `elitair-literairdoeners' en de `populisten'. Zo blijft het aanbod aan kinderboeken in Nederland een van de meest verscheidene ter wereld.