Pas op voor de Belgen!

Nadat alle grote illustratoren een Penseel hebben gekregen, is de prijs nu weer bedoeld als aanmoediging voor jonge tekenaars. Over autonome illustraties en de oprukkende Belgische Penselen.

De illustratoren van al die prestigieuze en mooi gedrukte prentenboeken die de laatste jaren uitkwamen bij uitgeverijen als Querido, Leopold, Lemniscaat, De Eenhoorn of De Middernachtpers, kunnen zich waarschijnlijk moeilijk voorstellen dat er een tijd is geweest waarin hun vakgenoten niet alleen voor gewone boeken tekenden, maar met het grootste gemak ook kleurboeken, plakboeken, knutselmappen en zelfs goocheldozen ontwierpen. Dat het je als illustrator kon overkomen dat de jeugd je esthetische tekeningen aan flarden knipte, opzette, verlijmde, overtrok, inkleurde of anderszins vervormde.

In het Veluws Museum Nairac in Barneveld zijn op het ogenblik mooie voorbeelden te zien van het werk van zo'n allround illustrator die nergens te goed voor was. In de jaren '20 en '30 heeft deze Daan Hoeksema, alias Oom Daan, via zijn heldere, grappige en modern aandoende tekeningen de zelfwerkzaamheid van talloze kinderen bevorderd. Hij was opgeleid aan de Amsterdamse Rijksschool voor Kunstnijverheid en een klasgenoot van de later zo bekende ontwerpers Jac. Jongert (van Van Nelle) en de vernieuwende Piet Zwart.

Hoewel hij ook reclamewerk deed, was Hoeksema vooral trots op zijn rol als `kindervriend'. Wie zijn fleurige boeken, mappen en dozen in Barneveld bekijkt, kan zich daar een voorstelling van maken. Zijn gekke, goochem getekende mannetjes slepen je mee en geven je even het gevoel dat je in staat bent met een paar handgrepen een hele nieuwe wereld te voorschijn te toveren. Dat ligt natuurlijk totaal anders bij al die mooie prentenboeken die de laatste jaren tijdens de Kinderboekenweek breeduit worden aangeprezen. Die zijn helemaal `af'. Tot in de finesses heeft de tekenaar alles voor je bedacht en vormgegeven.

Als iemand Oom Daan had voorspeld dat zijn werk ooit in een museum terecht zou komen zou hij het niet geloofd hebben, maar vandaag de dag vinden veel jonge illustratoren zoiets juist heel vanzelfsprekend. Toen de BNO (de Bond van Nederlandse Ontwerpers) eind vorig jaar in Rotterdam voor haar leden een symposium organiseerde over de stand van zaken rond de hedendaagse kinderboekillustratie, waarbij Midas Dekkers de discussie ironisch aanwakkerde met slogans als `kinderen hebben geen smaak' en `paarlen voor de zwijnen', stond de jongste generatie tekenaars briesend op. Om het hardst legden ze uit dat je tegenwoordig geen prentenboeken maakt voor kinderen maar voor `het kind in jezelf'. Een jonge tekenares sprak er zelfs schande van dat het dode paard dat ze bij wijze van spreken huilend had getekend was afgewezen door een uitgeverij omdat het te realistisch en te akelig zou zijn voor kinderen. De klacht van de aankomende kinderillustratoren was dat er bij de prentenboekuitgeverijen en in het prijzencircuit alleen maar plaats is voor oude coryfeeën en dat men geen waardering heeft voor echte Kunst. Autonomie, kortom, daar gaat het om.

Maar wat is een autonoom kinderboekillustrator? Die vraag is sinds de jaren '70 herhaaldelijk gesteld. Het is aardig om de door de CPNB in de loop der jaren uitgereikte Gouden en Zilveren Penselen daar eens op te bekijken. Van geen van de Gouden Penseelwinnaars zou je kunnen zeggen dat ze géén autonome kunstenaars zijn. Van de eerste gelauwerden, Margriet Heymans (1973) en Wim Hofman (1974), van Tom Eyzenbach (1979), Joost Roelofsz (1982) en Peter Vos (1991) tot en met de laatste, Willemien Min en Thé Tjong-Khing: hun werk heeft een eigen artistieke kracht en kan zó het museum in.

Zoiets gebeurde onlangs in het Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen. Daar was de fine fleur van de hedendaagse Vlaamse jeugdillustratoren uitgenodigd om een tekening te maken geïnspireerd op de Vlaamse kunst. Carll Cneut, An Candaele, Ingrid Godon en Koen Fossey lieten zich meeslepen door de Vlaamse primitieven in het museum en maakten voor deze gelegenheid fraaie versies van middeleeuwse engelen. Erika Cotteleer reageerde op vrolijke wijze op James Ensor en Gerda Dendooven persifleerde Tytgat. Helaas vielen hun prenten en tekeningen geheel in het niet omdat ze op zaal naast de schilderijen waren gehangen. Eigenlijk alleen Gerda Dendooven kon de toets der vergelijking doorstaan met haar monumentaal opgevatte litho van een liggende vrouw (`Geen Ty(t)gat'). Met andere woorden, een illustrator is geen schilder.

In Antwerpen bleek overigens ook nog iets anders, namelijk dat de Belgische illustratoren op het moment verschrikkelijk goed op dreef zijn en een fantastisch hoog niveau hebben. Uitgevers als Lannoo en vooral De Eenhoorn leveren originele, frisse boeken, vanuit kinderen gedacht en toch artistiek (de ideale combinatie). Neem Leen Van Durme die de filosofieën van Jack Dreesen over geborgenheid, angst en liefde heel sober en gevoelig onderstreept en een eigen gezicht geeft (Seppe). Of het grappig overdreven expressionistische werk van Linda Schacht vol leuke eigenwijze kinderen (Koninginnenhapjes of Pannenkoeken). De Belgen (of moet ik zeggen Vlamingen?) zijn relativerend, grappig en werken monumentaal.

Ook aan de dit jaar toegekende Penselen is te zien dat de Belgen oprukken. Nog niet eerder heeft de Penseeljury zo'n opmerkelijke keuze gemaakt: vier van de vijf prijzen voor illustraties gingen naar Belgen (als je de in Brussel geboren en getogen Engelse Kitty Crowther meerekent) en vier van de vijf uitgeverijen die penselen kregen zijn Belgisch. Carll Cneut, expert in grillige fantasieën in een hyperesthetisch jasje, kreeg dit jaar een Zilveren Penseel voor Het ongelooflijke Liefdesverhaal van Heer Morf (De Eenhoorn).

Het Gouden Penseel ging weliswaar naar een oude bekende, Thé Tjong-King, maar wel voor zijn aandeel in een samenwerkingsprojekt met een Vlaamse schrijfster (Sylvia Vanden Heede) en voor een Belgische uitgever: Het Woordenboek van Vos en Haas (Lannoo). Vooral de Vlag & Wimpels (Djuk. Het kolenpaard van Fort Lapij (Klaas Verplancke) en Ik verveel me nooit (Goele Dewanckel) zijn staaltjes van het zelfbewustzijn dat de Belgische illustratoren op het ogenblik uitstralen.

Toen de Penselen in 1973 werden ingesteld waren ze vooral bedoeld als aanmoedigingsprijs, waardoor aanvankelijk gerenommerde tekenaars als Fiep Westendorp, Dick Bruna en Max Velthuys niet mochten meedingen. Later werd van dat idee afgestapt en vielen de `gevestigden' jaren achtereen alsnog in de prijzen. (,,Ik had er niet meer op gerekend'', zei Dick Bruna bescheiden toen hij in 1990 zijn penseel kwam ophalen.) Nu lijkt de inhaalslag ten einde. Gelukkig maar. Aanmoediging is altijd leuker dan bevestiging. Dat is ook de rol van de CPNB.

Tentoonstelling Daan Hoeksema en het televisieloze tijdperk (t/m 25 okt) in Veluws Museum Nairac in Barneveld (www.nairac.nl).

Over Antwerpen: Marita Vermeulen, Peter Balcaen (red.), Wie zoet is krijgt lekkers, uitgave Stadsbibliotheek Antwerpen (= (0032) 3 2068712).

ILLUSTRATIES