`Mensenrechten zijn heilig'

Studenten uit dertig Afrikaanse landen traden op in een proces voor het Afrikaanse Hof voor de mensenrechten. Een gespeeld proces, maar met een uiterst serieuze ondertoon.

`Wat?' zegt een van de rechters, die daarmee het pleidooi van de advocaat van het gedaagde land onderbreekt. ``Beweert u dat de staat genoeg geld heeft om midden in het regenseizoen per helikopter stembussen te vervoeren, maar in het noorden niet voldoende gezondheidszorg kan bieden?''

``Edelachtbare, de staat heeft op het gebied van gezondheidszorg gedaan wat voor een ontwikkelingsland mogelijk is.''

Het verweer maakt weinig indruk, een lichte golf van hoofdschudden gaat door de rechtszaal.

Het African Court on Human and Peoples Rights boog zich de afgelopen zomer in Yaounde, de hoofdstad van Kameroen, over een serie klachten van de niet-gouvernementele organisatie World Democracy tegen de staat Tiya. De ngo World Democracy noch Tiya bestaat. De rechtszaak was een Moot court, een wedstrijd aan de hand van een bedachte zaak, voor rechtenstudenten uit heel Afrika. De Moot court wordt sinds 1992 jaarlijks gehouden, steeds in een ander Afrikaans land.

Bijna

Het echte Afrikaanse Hof voor de mensenrechten bestaat bijna. Het oprichtingsprotocol is getekend door twaalf Afrikaanse landen. Wanneer vijftien landen getekend hebben, wordt het Afrikaanse Hof, naar model van het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg, een feit. Het bereiden van de weg voor het Afrikaanse Hof is een van de doelen van de Moot court, zegt Christof Heyns, directeur van het Centrum voor Mensenrechten van de Universiteit van Pretoria en initiatiefnemer. ``Jaarlijks zijn niet alleen studenten en docenten uit heel Afrika bijeen dit jaar 140 studenten van zeventig universiteiten in dertig landen maar ook vertegenwoordigers van de internationale rechterlijke macht, van het Hof in Den Haag, het Hoge Commissariaat voor de Mensenrechten van de VN, de Organisatie van Afrikaanse Eenheid en andere organisaties, die we voor de finale optrommelen. Dat versterkt het aanzien van het vak.''

In Kameroen zelf hadden juridische faculteiten tot nu toe weinig aandacht voor mensenrechten, en was ook het Afrikaanse Verdrag voor Mensenrechten geen gemeengoed. Maar nu hoopt gastheer Jean Didier Boukongou, directeur van het Centrum van de Mensenrechten van de Katholieke Universiteit van Centraal-Afrika (UCAC), dat de andere Kameroenese universiteiten zich laten overtuigen van de noodzaak van een gezamenlijk onderzoeks- en onderwijsprogramma.

De Moot court heeft eveneens de bedoeling het netwerk van mensenrechtenjuristen in heel Afrika uit te breiden. Frans Viljoen, een van de organisatoren uit Pretoria, vertelt: ``Een van de winnaars in 1997 was Sim Katende, een Oegandees. Die heeft kortgeleden weer contact met ons opgenomen. Hij is inmiddels advocaat in een maatschap die een rechtszaak tegen de staat heeft aangespannen, omdat de doodstraf in de grondwet is opgenomen. Hij komt op voor 405 mensen die in Oeganda ter dood zijn veroordeeld.''

De fictieve zaak die in Yaounde wordt behandeld, is ingewikkeld. Het gaat onder meer over oneerlijke verkiezingen, waarbij vrouwen worden gediscrimineerd en intimidatie wordt toegepast tegen pygmeeën. Die laatsten wonen in een oerwoud waar ook aan de overheid gelieerde houtkapbedrijven belangen hebben. Ministers van Tiya moeten vluchten naar een buurland, dat hun veiligheid al snel opoffert aan de goede relatie met Tiya een van de ministers wordt bij verstek ter dood veroordeeld. De omstandigheden hebben veel weg van de situatie in Kameroen. Professor Boukongou is dit jaar de belangrijkste auteur van het juridische spel. Hij zegt dat het gewoonte is om iets te bedenken dat de werkelijkheid van het gastland benadert. ``Dat geeft ons gelegenheid om in eigen land te praten over verkiezingsfraude, aids, illegale houtkap en dergelijke.''

De deelnemers moeten per team van twee studenten voor World Democracy of voor de staat optreden. Het gaat daarbij om de goede presentatie van de juiste juridische argumenten. Tawa Jihijela en David Smith van Port Elizabeth Universiteit in Zuid-Afrika zijn tegen het eind van de eerste ochtend blij met een praatje buiten het gebouw, want ze zijn op van de zenuwen. Over tien minuten moeten ze hun argumenten tegen de staat te berde brengen. ``Ik dacht dat dat de makkelijkste positie was'', zegt Tawa, ``omdat de tekortkomingen van Tiya makkelijk zijn aan te tonen. Maar het schijnt dat de rechters in dit Hof'' hij gebaart naar collegezaal A ``het de eisende partij heel moeilijk maken. Het probleem is volgens mij de toelaatbaarheid van de zaak. Volgens het Afrikaanse Verdrag voor Mensenrechten moet een zaak die voor het Hof komt in principe eerst voor een lagere rechter hebben gediend, en dat is om allerlei redenen niet gebeurd.'' Even later wachten Tawa en David binnen op het begin van het proces, bladerend in hun papieren en af en toe iets naar elkaar fluisterend. Iedereen heeft de grootste eerbied voor het Hof, al zijn de rechters in deze ronden gewone docenten en worden de deurwaarders gespeeld door studenten van de UCAC.

Pessimistisch

Volgens een student uit een Noord-Afrikaans land, die anoniem wil blijven, is het makkelijker om de staat te verdedigen. ``Die hoeft alleen maar aan te tonen dat het Hof niet bevoegd is. Klaar.'' Hij is pessimistisch over de werkelijke waarde die aan de mensenrechten wordt gehecht. ``In mensenrechtenzaken tegen een staat is de eisende partij altijd in een zwakke positie, want staten hebben de wetten zelf gemaakt. Landen belijden met de mond dat ze de mensenrechten serieus nemen, maar dat is een smoes waarachter ze andere belangen verbergen. Kijk maar naar de argumenten waarmee de Verenigde Staten Irak hebben aangevallen.'' Nee, zegt de gesluierde Aya El Hilaly uit Egypte: ``Ik denk dat de eiser deze zaak wel kan winnen. Maar het probleem is dat het echte Afrikaanse Hof voorlopig geen politie of andere middelen heeft om de besluiten kracht bij te zetten. Bij jullie zijn de staten die tot de EU willen toetreden verplicht de Europese Conventie over de Mensenrechten te tekenen. Bij de Organisatie van Afrikaanse Eenheid is dat niet zo. Dat zou nog geregeld moeten worden.''

Ook de Zambiaanse professor Michelo Husungule, een van de rechters in de finale, vindt het pessimisme van de Noord-Afrikaan niet terecht: ``We hebben wel al de Afrikaanse Commissie voor de mensenrechten, de voorloper van het Hof, die niet-bindende uitspraken doet. In de zaken die de afgelopen jaren voor de Afrikaanse Commissie zijn behandeld heeft de eisende partij het in meer dan zestig procent van de gevallen van de staat gewonnen.''

In principe zijn alle deelnemers aan de wedstrijd winnaar van een voorronde aan hun eigen universiteit. Maar de voorbereiding verschilt. Sommigen hebben er vier maanden lang een paar uur per week aan besteed, samen met docenten. Anderen komen van een universiteit die nauwelijks functioneert, waar geen voorronde is geweest, of die niet beschikt over de teksten van het protocol van het Afrikaanse Verdrag en andere documenten, zoals de universiteiten van Tsjaad en Niger.

De Engelstalige en Franstalige teams komen elkaar de eerste dagen niet bij het Hof tegen, zij treden op in parallelsessies. De stijlverschillen zijn opvallend. De Franstalige studenten zijn retorisch, theoretisch en putten hun overtuigingskracht vaak uit het volume van hun stem. De Engelstaligen zijn feitelijk, hebben een heldere woordkeus en gedragen zich correct. Professor Boukongou: ``Onze studenten zijn in hun optreden zwakker dan de Engelstaligen. In het Franstalige onderwijs wordt nooit met praktijkoefeningen gewerkt. Ik wil deze Moot court ook gebruiken om in Kameroen te laten zien dat wij ons onderwijs moeten aanpassen.''

Twee Franstalige en twee Engelstalige teams plaatsen zich voor de finale. Het lot bepaalt dat de studenten van de University of Natal (Zuid-Afrika) en Université de Cocody (Ivoorkust) een tweetalig team vormen dat het tegen de staat Tiya opneemt, terwijl de studenten van de University of Nairobi (Kenia) en Université Dschang (Kameroen) als verdedigers fungeren. De beslissende zitting van het Hof, bestaande uit professionals, wordt onder grote belangstelling gehouden in een aula, voorzien van koptelefoons voor wie niet beide talen beheerst.

Zwak verweer

Dohoti Coulibaly van de Université de Cocody, lid van het `eisende team' verwijt de staat onder meer dat deze de kiezers op het platteland vrijwel heeft uitgesloten van de verkiezingen, door ze te houden in een periode dat de zandwegen door regen onbegaanbaar waren. ``Maar de staat is God niet'', zegt de verdediging, ``en de staat kon niet weten dat het die dag zou gaan regenen.'' Daar moet je in Afrika niet mee komen en het wordt dan ook als een zwak verweer gezien. Het sterkste punt voor de raadslieden van de staat is, zoals al werd verwacht, de vraag naar de competentie van het Hof. Zij voeren een lange lijst aan van jurisprudentie, wetsartikelen en verdragen waaruit zou blijken dat het Hof in dezen niet bevoegd is de klacht in behandeling te nemen. De studenten in de zaal zijn duidelijk onder de indruk van het gevarieerde betoog.

Dan krijgt World Democray nog een paar minuten. Andreas Coutsoudis van Natal University is niet alleen een goede jurist, die de argumenten van de tegenpartij al had voorzien, hij is ook een theaterman, die zijn beste one-liners tot het laatst bewaard heeft. ``Mensenrechten zijn absoluut. Je kunt ze niet relativeren door er rijen oude documenten en papieren tegen in het geweer te brengen'', zegt hij, een van Amerika's founding fathers, Alexander Hamilton, citerend. ``Mensenrechten zijn heilig.'' Precies in de roos. De spanning breekt, weg is het decorum. Honderdveertig studenten joejoe-en en juichen de winnaar hartstochtelijk toe.