Indianenverhaal

Dit is een verhaal tot bevordering van het gezonde wantrouwen in alles. Het gaat over een indianenstam, die zich ver van de moderniteit in het reservaat weet te handhaven. Geen televisie, geen internet. Wel zijn deze indianen gelukkig. De winter nadert. De indianen willen weten waarop ze zich moeten voorbereiden, vragen dit aan het stamhoofd die zijn veiligheidsadviseur raadpleegt. De adviseur kookt een paar slangen, snuift de geur op en zegt: ,,Er staat een bijzonder strenge winter voor de deur.'' Het stamhoofd geeft dit nieuws door, de indianen gaan hout verzamelen, vormen de grootste voorraad uit hun geschiedenis. Terwijl ze daarmee bezig zijn, wordt de veiligheidsadviseur door twijfel bevangen. In het geheim belt hij de meteorologische dienst in Washington, meldt zich als weerkundige en krijgt de belangrijkste wetenschapper aan de telefoon. ,,Wat zijn uw verwachtingen voor de komende winter, collega?''

,,We krijgen een uitzonderlijk strenge'', zegt de geleerde.

,,Hoe weet u dat?''

,,De indianen sprokkelen als gekken.''

Iedereen kan nu het verhaal naar eigen behoefte verder vertellen en afmaken.

a. Er komt deze keer niet eens een kwakkelwinter. Veel indianen zijn boos, een compleet bos is voor niets omgehakt. Ze vragen het stamhoofd hoe dat zit. Wees blij, zegt het stamhoofd. Er komt heus nog wel eens een strenge winter, en dan is het hout veel droger. Jullie boffen! Van die kant hadden ze het nog niet bekeken. Critici die nog schuchter tegensputteren, die blijven zeuren om bewijzen voor de niet gekomen strenge winter, krijgen indiaanse straffen.

b. Er komt wel een strenge winter. Het stamhoofd zegt: Jullie boffen! Zeker met mij en mijn veiligheidsadviseur. Hij wordt herkozen, maakt de veiligheidsadviseur tot vice-stamhoofd. Onder hun leiding worden steeds meer slangen gekookt, en als die zijn verdwenen, zijn de hagedissen aan de beurt, tot er op de vlakte van de omgehakte bossen geen reptiel meer in leven is.

Hoe het dan verder met dit stamhoofd en zijn indianen gaat? Dat is zo'n vraag waarop het antwoord aan het slot staat, in een ondersteboven gedrukt zinnetje. Alles wijst erop dat dit zinnetje er wel gestaan heeft, maar opeens was het er niet meer.

Ik schrijf dit op een plaats waar ik niets kan nakijken. Alles kan tegen me worden gebruikt. En nu herinner ik me dat de schrijver van De Wet van Parkinson, E. Northcote Parkinson, in het voorwoord tot zijn gelijknamige bundel essays vaststelt dat er mensen zijn die geloven dat alles in de wereld logisch en volgens de plannen verloopt: onderwijzers en kleine kinderen. De rest van het boek gaat dan over het oneindig aantal manieren waarop het wel kan mislopen, wat dan ook op één of een aantal manieren gebeurt. Zie ook de Wet van Murphy.

Daarover heb ik al eens geschreven. Het ging toen over de duur en kosten. In mijn naïviteit dacht ik dat de uitvoering van grote projecten op z'n minst tweemaal zo lang duurt als was beloofd, en dat ze twintig procent duurder blijken te zijn dan ons aan het begin was wijsgemaakt. Ik had me vergist. Ik kreeg een brief van een lezer. Hij wees me op een artikel van Philip Mushgrove in The American Economic Review van maart 1985. Mushgrove had het uitgerekend en beredeneerd. `Waarom alles 2,71828... maal langer duurt dan we hadden verwacht.' Het gaat dan om projecten die bestaan uit een oneindig aantal stappen. ,,De verhouding tussen de werkelijke tijd en de verwachte tendeert naar e = 2,71828. Bij kleinere projecten is die verhouding kleiner, maar nooit minder dan twee.''

Het ging daarbij steeds over de uitvoering – het duurt steeds langer – en de daarmee verbonden stijgende kosten. Het is absoluut zeker dat dit zal gebeuren, en toch geloven we, als kinderen en onderwijzers, dat het sprookje waarmee het begint na verloop van de beloofde periode tegen de beloofde prijs de werkelijkheid zal zijn. Sterker: de belovers geloven dat ook. Wat we nu over het Rijksmuseum horen is een sterk voorbeeld.

In het indianenverhaal komen twee andere factoren aan de orde: de rechtvaardiging van de onderneming en de argumentatie die aan de rechtvaardiging ten grondslag ligt. Als je alleen maar denkt dat het een strenge winter zou kunnen worden, ga je een beetje sprokkelen, voor alle zekerheid. Als met wetenschappelijk zekerheid is vastgesteld dat de strengste winter onontkoombaar is, ben je bereid alle bossen te vellen om niet dood te vriezen. Dus: ongeremd hakken.

Dan blijkt dat de wetenschap zich heeft vergist. A heeft zijn natte vinger opgestoken, ziet wat hij met zijn conclusie al heeft aangericht, krijgt wroeging, belt B die het ook niet weet en in de gauwigheid, zelfs onbewust misschien, terugvalt op de oude wijsheid die dusdanig door A wordt gewantrouwd dat hij B heeft gebeld. In de cultuur van de moderniteit komt er na de openbaring van de deconfiture een onafhankelijk onderzoek dat misschien langer duurt dan was beloofd, maar in ieder geval eindigt met de publicatie van een rapport. Bij de indianen in dit verhaaltje wordt het stamhoofd herkozen. Eind goed, al goed: de democratie heeft gezegevierd.