Hybride burgemeester

Met de nodige voortvarendheid wil minister De Graaf (Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties) de direct gekozen burgemeester invoeren. De haast van de uit D66 afkomstige bewindsman is alleszins begrijpelijk. Al te vaak zijn voorstellen om te komen tot staatkundige en bestuurlijke hervormingen blijven steken in het zompige moeras dat zo kenmerkend is voor bestuurlijk Nederland zodra veranderingen aan de orde zijn.

Dat er wat moet gebeuren aan de wijze waarop de burgemeester wordt aangesteld is evident. De burgemeester is de afgelopen decennia voor de lokale bevolking uitgegroeid tot de meest herkenbare en veelal ook belangrijkste bestuurder. Maar tegelijk is het iemand die niet over een eigen kiezersmandaat beschikt. Daar staat tegenover dat hij, formeel gesproken, ook over weinig bevoegdheden beschikt. Maar in de praktijk betekent dit dat hij de hem wèl toekomende coördinerende rol maar zeer beperkt kan vervullen. Daar komt nog bij dat sinds de dualisering van het gemeentebestuur, waarbij gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders van elkaar zijn losgekoppeld, de door de kroon benoemde burgemeester een nog meer hybride figuur is geworden.

Het is zaak dat de burgemeester in een vernieuwd stelsel niet weer in een schimmige positie komt te verkeren. Maar de voorstellen van De Graaf bieden daartoe onvoldoende garantie. In de hoofdlijnennotitie over de invoering van de direct gekozen burgemeester die gisteren naar de Tweede Kamer is gestuurd, staat dat het kabinet heeft gekozen voor ,,een stelsel dat past binnen de Nederlandse verhoudingen''. Dit leidt tot een `van-alles-wat-systeem' waarbij er opnieuw geen sprake is van heldere, afgebakende bevoegdheden voor de burgemeester. Hij kan straks weliswaar rechtstreeks door de bevolking worden gekozen, maar de gemeenteraad blijft het laatste woord houden over benoeming en ontslag van wethouders. Het `collegiale bestuur' wordt nog eens benadrukt door het feit dat de burgemeester het in de grondwet vastgelegde voorzitterschap van de raad blijft bekleden.

Waar dit toe leidt, schrijft De Graaf zelf in zijn notitie: ,,De functie van de burgemeester krijgt een politieker karakter, maar niet per se in de betekenis van partijpolitiek''. Maar dat is nu juist het probleem. Een directe verkiezing van de burgemeester heeft pas zin als er ook werkelijk iets te kiezen valt. Dat kan als de kandidaten een inhoudelijk politiek programma kunnen presenteren, met de mogelijkheid dit ook daadwerkelijk uit te voeren. In het stelsel dat het kabinet voorstaat wordt de burgemeester toch weer afhankelijk gemaakt van de raad. Het creëren van een dergelijke halfwassen functionaris (,,een zekere politisering van het burgemeestersambt'', zegt de notitie) kan slechts leiden tot frustraties bij zowel de kiezers als de gekozene.

Het nu voorgestane model draagt een overduidelijk compromiskarakter tussen degenen die alles bij het oude wilden laten en zij die een radicale verandering voorstonden. Met als resultaat: de benoemde tandeloze burgemeester van nu wordt straks een gekozen bijna tandeloze burgemeester. De Graaf noemt het voorstel in zijn notitie ,,een goed evenwicht tussen vernieuwing en continuïteit''. Maar te vrezen valt dat er in de praktijk sprake zal zijn van een in bestuurlijk opzicht onmogelijk evenwicht.