Engagement met het eigene

Waarom zouden de Nederlandse archeologen na 1933 niet met de Duitsers samenwerken? Beide groepen waren zich bewust van de etnische betekenis van hun vak en ook vakinhoudelijk was er nauwelijks verschil van inzicht.

`EVEN EEN LUCHTJE happen', zei historicus Martijn Eickhoff tegen zichzelf. Het was 1996 en hij was in het Bundesarchiv in Berlijn bezig een dossier door te nemen voor zijn proefschrift over de Nederlandse archeologie in de bezettingstijd, toen voor hem de droom van iedere historicus werkelijkheid werd. Hij had ineens een tastbaar bewijs in handen voor iets dat hij anders door argumentatie aannemelijk had moeten maken. Voor hem, in een voormalige SS-kazerne, lag een schema, dat een Duitse archeoloog in juni 1940 had gemaakt, met de te volgen strategie om de Nederlandse archeologie te nazificeren. Buiten viel een verfrissende regenbui.

Zeven jaar later, en wel aanstaande dinsdag, promoveert Eickhoff (1967) aan de Universiteit van Amsterdam op De oorsprong van het `eigene'. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme. Het proefschrift is het ruim vierhonderd pagina's dikke resultaat van negen jaar onderzoek. De oorsprong daarvan ligt in zijn studietijd, toen hij enkele colleges archeologie volgde en een excursie naar het Zuid-Hollandse Valkenburg meemaakte. Tot zijn verbazing hoorde hij dat Nederlandse archeologen tussen 1941 en 1943 in het dorp enkele Romeinse forten hadden opgegraven. `Goh', dacht hij, `ik wist niet dat er in de oorlog ook werd opgegraven. Interessant. Want welke rol speelden de Duitsers hierin?'

De Nederlandse archeologen waren in eerste instantie huiverig dat zijn onderzoek tot de conclusie zou leiden dat de Nederlandse archeologie fout was geweest in de oorlog. Maar zoals het een modern historicus betaamt, ging het hem niet om goed of fout. Hij wilde weten hoe de Nederlandse archeologen hadden gereageerd op de belangstelling van de nazi's voor hun werk en onderzoeken wat de vakinhoudelijke verschillen en overeenkomsten waren tussen de nazi-archeologie en de `gewone' archeologie. Nadat de aanvankelijke vrees bij de archeologen was weggenomen, heeft hij zich bij hen nooit een buitenstaander gevoeld. De financiering van zijn onderzoek kwam zelfs uit de archeologiepot van NWO.

drie portretten Eickhoff begint zijn proefschrift met een uitgebreide schets van de Nederlandse archeologie in de eerste helft van de twintigste eeuw. Hij doet dat aan de hand van de portretten van drie archeologen, J.H. Holwerda, A.E. van Giffen en A.W. Byvanck. Holwerda, classicus en directeur van het Rijksmuseum voor Oudheden (RMO) in Leiden, was een wetenschapper in de klassiek-humanistische kennistraditie. Voor hem begon en eindigde nog steeds alles met de Klassieke Oudheid. Inheemse Nederlandse archeologische verschijnselen bestudeerde hij dan ook in samenhang met wat de oude Grieken en Romeinen hadden voortgebracht. Door populair-wetenschappelijke boeken en krantenartikelen over zijn opgravingen te schrijven was hij rond de jaren twintig de bekendste Nederlandse archeoloog.

Byvanck, hoogleraar Archeologie en Oude Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Leiden, groef anders dan Holwerda zelf niet op. Hij richtte zich volledig op de klassieke kunstuitingen, die hij als de belangrijkste bron beschouwde om kennis op te doen over de `geest' van een periode of cultuur. Toen hij later interesse kreeg voor de Nederlandse pre- en protohistorie, werd de `volksgeest' in archeologische vondsten zijn belangrijkste studieobject.

Van Giffen was directeur van het Biologisch Archaeologisch Instituut (BAI) van de Rijksuniversiteit Groningen. Van oorsprong bioloog was hij empirisch ingesteld. Het ging hem om de systematische classificatie van direct waarneembare archeologische verschijnselen. Die Tatsachen bleiben, die Interpretation schwankt was zijn geliefde motto. Zijn onderzoeksterrein lag vooral in de drie noordelijke provincies. Door commerciële afgravingen van terpen dreigde daar het historische cultuurlandschap in hoog tempo te verdwijnen. De provinciale notabelen stimuleerden Van Giffen om de cultuur- en natuurhistorie te bestuderen voor het te laat was. Van Giffen vestigde zijn internationale faam met de opgraving van de wierde van Ezinge.

Zo waren er volgens Eickhoff drie verschillende onderzoekstradities in de Nederlandse archeologie van die tijd: de klassiek-humanistische van Holwerda, de romantisch-idealistische van Byvanck en de empirisch-natuurwetenschappelijke van Van Giffen. Maar ondanks de verschillen was er een belangrijke overeenkomst tussen Holwerda, Byvanck en Van Giffen, stelt Eickhoff. Alle drie waren ze op zoek naar inzicht in de etnische en raciale samenstelling van het Nederlandse volk. Vandaar hun speciale aandacht voor de prehistorische hunebedbouwers en de bekervolkeren, de eerste bewoners van Nederland, en de Germaanse stammen die als de directe voorouders werden beschouwd: de Franken, Friezen en Saksen.

Het archeologisch onderzoek naar de voorouders had invloed op de manier waarop de vaderlandse geschiedenis werd beschreven. Tot rond 1920 lag het beginpunt meestal bij de Romeinen en de tijd van de Volksverhuizingen, later begon de geschiedenis met verwijzingen naar de Late Steentijd. De archeologische onderzoeksresultaten kwamen ook terecht in volkskundige, fysisch antropologische en sociologische studies over het Nederlandse volk. Van lieverlee kreeg het begrip `Nederlandse volk' zo naast een staatkundige, sociale en cultureel-historische ook een etnische betekenis. Men raakte ervan overtuigd dat gedeelde afstamming zich uitte in het karakter en uiterlijk van de huidige bevolking. Cultuurverschillen binnen Nederland konden op die manier etnisch verklaard worden. De belangstelling voor het `eigene' leidde tegelijkertijd bij sommigen tot engagement met de eigen regio, anderen kregen visioenen van een Groot-Nederland en eind jaren dertig waren er ook Nederlanders die vonden dat het vaderland moest opgaan in een Groot-Germaanse eenheid.

Eickhoff wil maar zeggen dat etnisch besef bij veel geledingen van de Nederlandse samenleving voorkwam. Maar het is vooral de Duitse archeologie uit die tijd die ermee wordt geassocieerd, gaat hij verder. De nationaal-socialisten stimuleerden in het Derde Rijk het vak door het aantal leerstoelen pre- en protohistorische archeologie aan de universiteiten te vergroten. Niet zonder reden, want ze beschouwden archeologie als de meest nationale van alle wetenschappen. Culturen en volkeren waren voor hen één. Aan de hand van de herkomst van de oudste vondsten konden ze zeggen welk volk waar vandaan kwam. Alle aandacht ging daarbij uit naar de oude Germanen. Dat waren in de ogen van de nazi's per slot van rekening de blonde blauwogige Ariërs, de eerstgeborenen van de Indo-Europeanen, van wie groepen vanuit hun bakermat Sleeswijk Holstein naar het zuiden en oosten waren getrokken om daar cultuur en beschaving te brengen. Wetenschappers met de opvatting dat de beschaving uit het oosten en zuiden was gekomen toonden volgens de nationaal-socialistische archeologen een schandelijk gebrek aan patriottisme. De ware Duitse archeoloog hoorde overal in Europa op zoek te gaan naar Germaanse wortels en diende het heel normaal te vinden dat Duitsland op die plaatsen historische rechten liet gelden.

Niemand in Nederland die er moeilijk over deed als Van Giffen in de jaren dertig in Duitsland congressen bezocht, die waren georganiseerd door wetenschappers die zich bij de SS of de NSDAP hadden aangesloten Nederlandse archeologen hadden vanouds goede contacten met hun Duitse collega's. Die goede contacten bleven, ook na 1933. Vakinhoudelijk, luidt een van Eickhoffs belangrijkste conclusies, was er weinig verschil van opvatting. Van Giffen vond weliswaar dat Friezen en Saksen cultureel te verwant waren om ze op grond van hun aardewerk te kunnen splitsen, maar het algemene idee dat cultuuruitingen iets zeiden over etniciteit en migratiestromen in het verleden hing ook hij aan.

hunebedden De Duitsers hadden dan ook goede hoop om de Nederlandse archeologie te kunnen nazificeren. Beter gezegd, de Duitsers geloofden in de zelf-nazificatie van de Nederlandse archeologie. Dat moest, zo bleek uit het schema dat Eickhoff in het Bundesarchiv vond, gebeuren door de Nederlandse grens overschrijdende inventarisaties te stimuleren, bijvoorbeeld door de hunebedden in Nederland én Neder-Saksen in kaart te brengen. Verder was het nodig om onderzoek in militaire gebieden toe te staan. Maar vooral moesten de goede wetenschappelijke contacten onderhouden blijven. En dus kregen Nederlandse archeologen vanaf 1940 uitnodigingen voor een reisje naar Duitse archeologische musea langs de Rijn of kwamen de Duitse collega's bij hen op theevisite, soms zelfs in uniform.

Toen kwam het grote dilemma voor de Nederlandse prehistorici, blijkt uit Eickhoffs reconstructie van het oorlogsverleden van de Nederlandse archeologen. Moesten ze wel of niet met de Duitsers samenwerken, terwijl er vakinhoudelijk weinig redenen waren om dat niet te doen? Bijvanck kon als klassiek archeoloog in de luwte blijven. Hij schreef een overzichtswerk, De voorgeschiedenis van Nederland, waarin hij de oorsprong van het Nederlandse volkskarakter voor de Friezen, Franken en Saksen, in het Neolithicum plaatste. Het boek, dat in 1944 een derde druk beleefde, leverde hem zowel lof als kritiek van nationaal-socialisten op.

Holwerda had al voor de bezetting zijn directeurschap van het RMO opgegeven, het was zijn leerling, de Leidse prehistoricus F.C. Bursch, die met de Duitsers besloot te gaan samenwerken. Nederland en Duitsland hoorden bij elkaar, was zijn overtuiging. Zo was het in de prehistorie geweest, zo zou het volgens een soort natuurwet in de toekomst weer zijn. Eickhoff: ``Op grond van zijn kennis van het verleden trok Bursch consequenties voor het heden en zette zich in om propaganda te maken voor het nationaal-socialistische gedachtegoed. Hij voerde voor de SS ook een opgraving in de Oekraïene uit.'' Van Giffen besloot anders. Wetenschap hoorde volgens hem vrij van politiek te zijn. Hij hield de Duitsers, onder wie collega's en oude vrienden, op afstand, maar zonder dat het ten koste van zijn werk ging. Voor de Duitsers was een goede verstandhouding met de Nederlandse archeologen zeker met Van Giffen, die beschouwd werd als de beste opgraver van Europa zo belangrijk dat ze hem zijn gang lieten gaan. Van Giffen maakte daarvan dankbaar gebruik. Na het bombardement van mei 1940 op het vliegveld Valkenburg was het naburige dorp een ravage. Voor Van Giffen een mooie gelegenheid om eindelijk eens de verhoging in het landschap, die hij al in 1914 had ontdekt, te onderzoeken – de opgraving die Eickhoff op het idee bracht om de Nederlandse archeologie tijdens de bezettingstijd te bestuderen.

Als het hem uitkwam, werkte Van Giffen ook wel samen met de Duitsers of hun sympathisanten. Hij voerde bijvoorbeeld begin 1943 met de nazistische Nederlandsche Arbeidsdienst een noodopgraving uit in het natuurreservaat Havelter Berg, waar de Duitsers een militair vliegveld gingen aanleggen.

Na de oorlog is Bursch veroordeeld. Van Giffen werd het hoofd van de in 1947 opgerichte Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek en de belangrijkste en machtigste man van de Nederlandse archeologie. Onder sommige archeologen kreeg hij ook de naam van collaborateur die de dans was ontsprongen. Niet terecht, vindt Eickhoff. ``Hij heeft wel gepoogd te profiteren van de Duitse belangstelling voor zijn vak. En na de oorlog herstelde hij snel de contacten met zijn Duitse collega's. Hij hechtte toen wel nog meer dan vroeger aan wetenschappelijke exactheid en objectiviteit, waardoor het bij zijn onderzoek steeds minder om ras en etniciteit ging.''

De Nederlandse archeologen zijn uiteindelijk blij dat Eickhoff als historicus het onderzoek heeft gedaan. Hij stond blanco tegenover mensen en instituten en bij hem zaten de huidige structuren en kaders over de vroegste geschiedenis van Nederland niet in zijn hoofd. Hij is daardoor niet in de valkuil gevallen om de kennis van nu als referentiekader te gebruiken.

Eickhoff hoopt dat ook historici van zijn onderzoek zullen leren. Nu zien ze archeologie vaak nog als alleen maar stoffige potjes en pannetjes. Maar: ``Archeologie is behalve een wetenschap ook een specifieke vorm van historisch besef. Als je archeologen en hun werk bestudeert, leer je veel over hoe in een maatschappij wordt gedacht over kwesties als wie zijn wij en waar komen wij vandaan. Je leert dus de ideeën over de oorsprong van het eigene kennen.''

M. Eickhoff: De oorsprong van het `eigene'. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme. Uitg. Boom. ISBN 90 5352 935 7. Prijs €25.-