Blinde ziener

Het klinkt misschien vreemd, maar ik denk dat blinde schakers in het voordeel zouden moeten zijn ten opzichte van schakers die kunnen zien. Iemand die alleen maar af en toe `blind' een partij speelt, doet dat bijna altijd zwakker dan normaal, maar van iemand die blind geboren is of op jonge leeftijd blind is geworden kan je je voorstellen dat hij een schaakstelling in gedachten even goed kan `zien' als andere schakers het met hun ogen doen.

Als dat zo is, kan hij de stellingen die niet op het bord verschijnen even goed zien. Hij is als een schaker die tijdens de partij alle varianten die hij berekent op het bord uit mag voeren, want het bord zit in zijn geest.

Dat er geen blinde wereldkampioenen zijn geweest – wel wereldkampioenen van de bond van blinde schakers, maar dat is wat anders – komt doordat er nu eenmaal weinig blinde mensen zijn. In feite moet gezichtsverlies op jonge leeftijd een voordeel zijn bij het schaken. Omdat ambitieuze ouders voor niets staan, zullen in de toekomst bij jonge schaaktalentjes de ogen worden uitgestoken, zoals bij zangvogeltjes.

Maar bij mensen die op late leeftijd blind worden is het anders. Oud-wereldkampioen Vasili Smislov heeft minstens negen oogoperaties ondergaan, maar toch werd zijn gezichtsvermogen steeds minder en het werd steeds moeilijker voor hem om toernooien te spelen. De digitale cijfertjes op de moderne schaakklokken zag hij al lang niet meer. Hij drukte gewoon de klok in zonder te zien hoeveel tijd hij nog had en zorgde op gevoel dat hij niet in tijdnood kwam.Zijn laatste toernooi was het Klompendanstoernooi in Amsterdam in 2001, een vriendschappelijke wedstrijd tussen de beste vrouwelijke schakers en topschakers van vroeger.

Nu schrijft Smislov boeken en hij maakt eindspelstudies. In een interview in het Russische blad Sjachmatnija Nedelja (Schaakweek), dat vertaald werd in Chess Today, noemt hij het verlies van zijn gezichtsvermogen niet alleen de zwaarste beproeving die hij heeft ondergaan, maar ook een zegen in vermomming, omdat hij er door gedwongen werd om meer naar binnen te kijken, naar de eigen ziel, en zijn creativiteit – die van goddelijke oorsprong is – te richten op het componeren van studies en het schrijven van boeken.

Hij heeft het veel over God in dat interview, en ook over de Duivel. De computer is de Duivel, omdat die niets schept, maar alleen een inspecteur is, of een aanklager, die laat zien dat de briljante combinaties van Aljechin en Tal en anderen niet altijd in orde waren.

Maar ook zonder de computer ziet Smislov iets duivels in het schaken en hij vindt dat de kerkvaders in de Middeleeuwen goede redenen hadden om het als een duivels spel te verbieden. De schoonheid en de harmonie die Smislov in het schaken zocht, dat is God. De sport en de punten, dat is de Duivel.

Smislov is natuurlijk niet de enige die het zo ziet. De Duivel schaakt, in tal van legendes; de gezelligheid van een robbertje bridge of de gemoedelijke gelijkheid van de damstenen is niets voor hem.

Als Smislov het over de Duivel heeft, gebruikt hij geen metafoor. De Duivel is voor hem een reëel wezen dat in 1983 een strijd met God voerde om de uitslag van een kandidatenmatch om het wereldkampioenschap te bepalen.

Na veertien partijen was de match tussen Robert Hübner en Vasili Smislov gelijk geëindigd. In het Oostenrijkse casinostadje Velden moest de roulette beslissen wie verder ging in de strijd om het wereldkampioenschap. Als rood uitkwam was het Smislov, als zwart uitkwam Hübner. Het balletje kwam op de nul, die geen kleur heeft.

Bij de tweede worp won Smislov en nu zegt hij: ,,God won en veroordeelde Hübner tot de nederlaag. Voor zover ik weet waren er goede redenen: Hübners gedrag was incorrect tijdens de match.''

De laatste jaren heeft Smislov tientallen eindspelstudies gemaakt, maar hier is zijn eerste, uit 1936. Hij moet toen veertien of vijftien jaar geweest zijn en de onervarenheid van de jeugd is nog wel te zien aan de wat grove effecten die hier gebruikt worden.