Alleen de honden en ik zijn niet Hongaars

Schrijver Jaap Scholten is deze zomer met zijn gezin naar Hongarije verhuisd. Hij bericht tweewekelijks over zijn nieuwe leven.

Afgelopen vrijdagmiddag vonden de kinderen bij school een eenzame hond zonder halsband. Ze was lichtbruin met een witte bef, haar oren hingen. Zij bleef logeren. De honden en de kat, flexibel als hun bazen, gedoogden het teefje dat een heel andere taal sprak. De eerste nacht sliep ze bij de kinderen, de tweede nacht sloop ze de kamer van de kinderen uit en viel in stilte op de overloop mijn opgezette ijsbeer aan, rukte de twee oren van zijn kop, drie tenen van de rechterachterpoot en amputeerde op een haar na de rechtervoorpoot. De bovenverdieping zag eruit alsof er een geit was geslacht. Na het ontbijt kotste het logeetje haar hondenbrokken uit samen met schilfers ijsberenhuid. 's Middags bij de wandeling op de heuvel verdween ze in de bosjes en keerde niet meer terug en misschien was dat maar beter ook. Toen ik nog op het Noordereiland woonde logeerde de dichter Bastiaan Vaandrager af en toe bij ons en soms ook een minderjarig hoertje. Zij namen altijd wat huisraad mee, maar zo bont als deze Hongaarse uitvreter hebben deze twee verslaafden het samen nooit gemaakt. Ik ben blij dat onze honden gewoon Hollandse jongens zijn.

De eerste keer in mijn leven dat ik een Hongaar zou gaan ontmoeten was achttien jaar geleden. Ik liftte door Spanje en sliep buiten of in stapelbedden. In Madrid woonde een nichtje van mijn grootvader. Zij was getrouwd met graaf Zichy. Hij zat in het Hongaarse Davis-Cupteam en tenniste najaar '56 in Spanje terwijl thuis de opstand uitbrak. Toen de Russen deze neersloegen besloot hij te blijven. Vanuit een telefooncel tegenover de van luizen vergeven jeugdherberg draaide ik vergeefs vele malen het nummer van mijn verre tante.

Ik kende hen niet. Ik wist helemaal niets van Hongaren. Van Bulgaren wist ik dat ze paraplumoorden begingen. Verder strekte mijn kennis van Centraal-Europeanen niet. Wat achter het IJzeren Gordijn zat was gevaarlijk. Mijn grootvader was een communistenhater. Hij had in Scheveningen een bemand schip klaarliggen om de Atlantische Oceaan op te kunnen stomen zodra de rode hordes het land binnenvielen. Ook had hij door de jachtopzichter over het landgoed verspreid 10.000 flessen jenever laten ingraven, voor als de bolsjewieken Twente met een tangbeweging zouden innemen. Twintig jaar geleden had ik discussies met hem over kruisraketten. Nu besef ik dat hij volkomen gelijk had. Het getuigde van inzicht, dat ingraven. Want alcohol was en is natuurlijk het enige waarvoor de Russische infanterie begrip heeft.

Ik wist eigenlijk maar één ding van mijn Hongaars-Twentse verwanten – het was het soort detail dat je niet vergeet, al hoor je het als kind maar éénmaal: dat Zichy, dat wil zeggen zijn familie, in Hongarije over een eigen trein beschikt had.

Pas vijf jaar later, vrijwel samenvallend met de val van de muur, kreeg ik opnieuw de kans een Hongaar te ontmoeten. Dit was het allereerste exemplaar dat ik ook daadwerkelijk te zien kreeg. Met haar ben ik getrouwd.

Tenslotte nog dit; we hebben Zsuzsa-néni, onze steun en toeverlaat in het dorpje Törökgörögfa, gevraagd wijn te maken van de druiven die we niet opkrijgen. Trots toonde ze ons de stal waar de wijn gemaakt gaat worden. Alleen voorovergebogen pasten we er in. Honden en pluimvee hadden vrij toegang tot de productiefaciliteiten. Met de ogen tot spleetjes toegeknepen, vanwege de duizenden vliegjes die er boven hingen, kon je in de buurt van de houten ton begeven waar de druiven geperst zouden worden. En het mooie was; Zsuzsa-néni excuseerde zich geen moment voor die zwerm. Het kwam niet bij haar op. Voor de beleefdheid werkte ik me door de wolk heen en wierp een blik in de ton. Op de bodem en langs de rand zat zwarte drab geplakt ter dikte van een ontbijtkoek. Nu ja, dat krijg je met een hogedrukspuit wel weg, dacht ik. Meer zorgen maakte ik me over het dunne plastic vat dat aangewezen werd als container voor onze wijn. Het zag eruit als een typisch voorbeeld van niet bedoelde recycling. In het beste geval had er kunstmest ingezeten, maar een gemeen landbouwgif leek waarschijnlijker.

,,Zeg, dat vat, is dat okay?'' vroeg ik Ilonka.

,,Ach joh, dat komt wel goed.''

En misschien was dat ook zo. Genoeg suiker erin en je proeft die DDT helemaal niet meer. Zsuzsa-néni zou nog laten weten wat ze kon produceren van de druiventrosjes om het huis. Die paar flesjes, dat zullen we wel overleven. En anders voeren we het op aan de logees.

Vandaag belde ze: 700 liter.