Achterberg

In W&O van 13 september (`Dichter tot de psyche') schrijft Sander Voormolen dat de dichter Gerrit Achterberg zowel met zijn Utrechtse hospita als met haar zestienjarige dochter `een seksuele relatie (...) onderhield'. Dat lijkt mij een bewering die geen recht doet aan de toestanden in het toenmalige kosthuis van Achterberg. Evenmin als zijn biograaf Wim Hazeu heb ik ooit een gegeven aangetroffen dat erop zou kunnen wijzen dat Achterberg met het dochtertje van zijn gedode hospita betrekkingen `onderhield' van seksuele aard.

Wat er wél in Achterbergs Utrechtse kosthuis aan de hand is geweest, staat in mijn in 2000 bij de Koninklijke Academie te Gent verschenen essay `Een verre vrouw van taal', althans voorzover van belang voor een adequate beleving van Achterbergs unieke poëzie. Enkele meer door zucht naar sensatie dan naar waarheid geïnspireerde artikelen die vorig jaar verschenen, hebben mij nadien genoopt tot nadere biografische informatie en commentaar. Ik verwijs daarvoor naar de in oktober te verschijnen `Verslagen en Mededelingen' van genoemde Academie. Er bestaat naar mijn mening geen enkele reden om te veronderstellen dat Achterbergs `relatie' met de door hem verwonde (en in zijn poëzie bezongen) zestienjarige op biografisch vlak meer voorstelde dan `wishful thinking'