Woorden voelen, proeven en ruiken

Begin oktober wordt bekend wie de Nobelprijs voor Literatuur krijgt. Wie is er aan de beurt? Ons vijfde voorstel: Herta Müller.

Sommigen verwijten haar thematische beperktheid. Ze moet nu maar eens over Duitsland schrijven, vinden zij, en niet steeds over het Roemenië van dictator Ceausescu. Herta Müller heeft een obsessie, ja, maar mag dat dan niet? Geven niet juist obsessies teksten die urgentie waarnaar wij lezers verlangen? Verwijten wij Günter Grass beperktheid omdat hij steeds maar over nazi-Duitsland schrijft? Hij kreeg de Nobelprijs, net als zijn door hetzelfde onderwerp bezeten collega Heinrich Böll, en beiden trokken dat wat zij toen geleerd hadden door naar de wereld van nu, naar nieuwe fascisten en nieuwe dictaturen.

Zo is het ook met het Nobelprijswaardige werk van Herta Müller. Dat laat zich lezen als een aanklacht tegen alle mensonterende heersers en hun personeel – alleen is het communistische Roemenië de stof die zij uit eigen ervaring kent. Ze kwam daar in 1953 in een Duitstalig dorp ter wereld en ze studeerde in Timisoara. Sinds 1987 woont ze in Duitsland en Duits is de taal waarin ze schrijft. Met een poëtische intensiteit die naar adem doet happen. Overgangen kent haar proza niet. Elke zin heeft kracht. Elke zin bevat een beeld. En elk zinnebeeld is ook een leid- en leedmotief.

Gras bloedt, ramen vallen, strikken wurgen. De populieren zijn groene messen en het verdorde maïs op de velden ligt als een krans op een kist. Herta Müller doet kinderen na en vertellers van gruwelijke sprookjes. Ze kijkt met een magische blik en bezielt de dingen met angst. Met bedreiging. Met pijn. Met wantrouwen en vernedering en armoe en uitzichtloosheid. Ze weigert over de dictator en zijn staat te schertsen. Bij Norman Manea uit Roemenië is Ceausescu een witte clown die in de piste absurde kunstjes vertoont. Bij Herta Müller uit Roemenië is het absurde afwezig omdat het te vrij is. Haar fictie biedt geen ontsnappingsmogelijkheden en geen verzoenende compensatie van de horror door een portie humor. Het lachen is haar wel vergaan, ook buiten de fictie om.

Totalitarisme was er al in haar kinderjaren. ,,Als Hitler de oorlog had gewonnen'', meende haar Zwabische opa, ,,dan waren wij nu in de meerderheid.'' Het kind leed onder de bedompte sfeer en schreef er later over in Niederungen (Laagtes), een veelzeggende titel. Thuis bruine ideeën, op school en universiteit bloedrode, en toen Herta Müller zelf voor de klas stond, zette de Securitate haar zo onder druk dat ze een ander baantje moest zoeken. Ze kwam terecht in een fabriek, waar ze technische teksten vertaalde. Intussen had ze verkering gekregen met de schrijver Richard Wagner. En ze kreeg ook een opdracht: de kunstenaars-`scene' bespioneren. Toen zij dat weigerde, dreigde men haar met fysiek geweld. ,,We gooien je in het water'', zei de geheime politie, en Müller zag geen reden om dat niet letterlijk te nemen.

Volle zwaarte

Alles moet je letterlijk nemen, is haar conclusie. En elk woord telt in z'n volle zwaarte, elk woord is materie, iets dat je ziet en voelt en hoort en ruikt en proeft. Het sensuele beeld geeft dat wat de angst met je doet beter weer dan abstract denken. Abstract denken leidt tot utopieën en utopieën leiden tot wangedrochten als het nazisme en het communisme. Daarom heeft Herta Müller, ofschoon zelf links, het utopisme van linkse intellectuelen in het westen altijd gewantrouwd. Theoretische wijsneuzigheid à la Bertolt Brecht of Peter Weiss is haar vreemd. Een verhoor bijvoorbeeld zou zij nooit als een leerstuk presenteren. Een verhoor is bij haar een zinnelijk ritueel.

De jonge vrouw in haar roman Heute wär ich mir lieber nicht begegnet eet telkens voordat ze naar de politie moet een noot. Zo hoopt ze het kwaad te bezweren. Het helpt haar weinig, natuurlijk. De majoor op het bureau geeft haar wel vaak een charmante handkus, maar ondertussen knijpt hij net zo lang in haar vingers tot ze blauw zijn. Hij ruikt naar Frans parfum, hetzelfde als dat van haar schoonvader. Die werd `de parfumcommunist' genoemd en hij sleepte haar grootouders in de jaren vijftig naar een stalinistisch kamp. Een keten van associaties stuwt de handeling voort en de schoonheid van de taal valt samen met die van het Roemeense landschap. Of dat wat ervan over is. Het is een boers land, met archaïsche woorden geschilderd, een land dat niets met de staat te maken heeft.

Sterker nog, de staat beledigt dat land, want de staat is lelijk. En de bewoner van al die lelijkheid lijdt aan de schoonheid van het land. Of, zoals we in de bundel Hunger und Seide lezen: ,,Als oude boerinnen met hun gevlochten korven op de straathoeken van de stad hun schuchtere bossen sneeuwklokjes, lelietjes-van-dalen, felle zonnebloemen of herfsttijlozen verkochten, maakten die op de voorbijkomende gezichten alles broos en stuk.'' De staat vreest de natuur, die materie is. Ceausescu, schrijft Herta Müller, was panisch voor stof en lucht en water. Hij nam op zijn reizen in een cisterne zijn badwater mee. Hij was bang voor bacteriën, virussen en microben en trok dagelijks nieuwe kleren aan die van luchtdicht aan elkaar gelaste plastic zakken waren gemaakt.

De staat, kortom, vreest het leven. En uit angst voor de opstand van het leven propageert de staat de dood. Niet openlijk, maar door van alles bezit te nemen. Schedels worden in verhoren geopend en als eieren uitgelepeld. Baarmoeders in klinieken op verse vruchten gecontroleerd. Want gek genoeg verbood het levensverstikkende regime abortus. Wellicht, suggereert Herta Müller, om uit de volle kindertehuizen agenten te kunnen recruteren. De staat is een vampier die bloed zuigt uit babyhoofdjes – volgens een populaire en in Müllers proza belande Roemeense mythe ter bestrijding van de anemie van de dictator.

Kippenkoppen

Intussen moeten zijn onderdanen leven van kippenkoppen die voor vlees doorgaan. Een van de mooiste beelden uit de bundel is dat van zo'n kippenkop in een groot brok ijs. ,,De bijl fonkelde. De verkoper hakte de roodblauw bevroren steen uit elkaar. Voor de weegschaal stond een rij. Mensen met starre ogen. En de vraag: hoe lang zal de steen nog reiken? Niet voor iedereen. Voor hen die buiten, drie huizen verder, op de straat in de rij stonden niet meer. De steen was van kippenhalzen, -vleugels, -voeten, -koppen. Die waren in het water gelegd en bij elkaar gevroren. Toen liepen de eersten met hun blauwrode brokken langs de wachtenden voorbij. Ze hadden vlees gekocht, zeiden ze. Een vrouw op hooggehakte schoenen kwam voorbij. En het brok droeg ze naast haar bleekrode jurk van zijde. Een kippenkop, ik zag hem duidelijk naast de duim van de vrouw, zag op haar schoenen bij het lopen. Het roodblauwe ijs begon naast haar stappen in de zon te druppelen. Er lag een druppelspoor daar waar de vrouw had gelopen. Ik dacht: honger en zijde. En er was woede en hulpeloosheid achter mijn voorhoofd.''

De prozaïste Herta Müller is een dichteres. Wie gebruiksklare argumenten voor het politieke debat bij haar zoekt, zal niet vinden. Wie de diepgang van ware kunst zoekt zal het gemakkelijk hebben. Want Müllers morele eenduidigheid gaat samen met de meerduidigheid van haar esthetiek. De materie heeft het van de ideeën gewonnen. Niet leuk voor een dictator.

De meeste boeken van Herta Müller verschenen bij uitgeverij Rowohlt. Vertalingen in het Nederlands van een deel van haar oeuvre zijn door De Geus uitgegeven.

Eerdere afleveringen van deze serie staan op www.nrc.nl