Toch schatplichtig aan hem gebleven

De filosoof Heidegger gruwde van de moderne liberale samenleving. Zijn leerlingen keerden zich af van zijn reactionaire houding. Maar ze bleven schatplichtig aan zijn kritiek op de moderne massamaatschappij.

Wanneer een boek over Heidegger is opgedragen aan Jürgen Habermas, `uit bewondering en dankbaarheid' nog wel, dan weten we wat ons te wachten staat: een boek tegen Heidegger. Het zoveelste, waarin de denker van het Zijn om de oren wordt geslagen met zijn gebrek aan democratische gezindheid en zijn nazi-engagement in 1933-34. Heidegger's children (2001) van Richard Wolin, dat ook in Nederlandse vertaling is verschenen, voldoet geheel aan de verwachtingen, maar zonder een simpele herhaling te zijn van zijn vele voorgangers.

Het originele van Wolins boek is dat Heideggers denken wordt benaderd via vier van zijn beroemdste leerlingen: Hannah Arendt, Karl Löwith, Hans Jonas en Herbert Marcuse. Alle vier van joodse afkomst, wat op z'n minst curieus is gezien Heideggers nazi-sympathieën. Maar, legt Wolin uit, toen zij in de jaren twintig bij hem studeerden, was Heidegger nog geen nazi. Het destijds misschien wèl aanwezige antisemitisme (een erfenis van zijn conservatieve katholieke jeugd) bleek in de praktijk geen punt, aangezien de volledig geassimileerde `kinderen' zichzelf niet meer als joden beschouwden en zo ook niet werden gezien door Heidegger. Met Hannah Arendt begon hij zelfs een buitenechtelijke liefdesaffaire.

Tegenwoordig wordt het nazisme allereerst geassocieerd met jodenhaat en `Auschwitz'. In 1933 lag dat anders. Ook Wolin, die alle (drie à vier) antisemitisch te interpreteren uitlatingen van Heidegger nadrukkelijk vermeldt, lukt het niet tussen dit oppervlakkige `culturele' antisemitisme en Heideggers nazi-engagement een causaal verband te leggen. Van de rassenleer van de nazi's heeft Heidegger zich (op een enkele opportunistische uitglijder over `bloed en bodem' na) altijd gedistantieerd. Aan de andere kant was hun biologische antisemitisme voor hem blijkbaar geen belemmering om lid te worden van de NSDAP.

Over Heideggers politieke motieven is de laatste jaren heel wat af geschreven, en met Wolin ben ik het eens dat het doorslaggevende motief eerst en vooral in Heideggers filosofie moet worden gezocht. Heidegger heeft zich als filosoof geëngageerd, zoals hij in 1936 tegenover Karl Löwith ook erkende. Je hoeft Heideggers redevoeringen en publicaties uit 1933-1934 maar even door te nemen om te zien hoe hij zijn best doet de analyses van Sein und Zeit (1927) te verbinden met Hitlers `nationale revolutie'.

Voor zijn joodse ex-leerlingen (wier assimilatie in 1933 bruut werd ontkend) waren dit hoogst pijnlijke feiten. Heideggers nazisme kwam voor hen weliswaar als een complete verrassing, maar onvermijdelijk werden zij erdoor gedwongen de relatie tot hun geestelijke vader te herzien. Stuk voor stuk hebben zij, verdreven uit Duitsland, hun eigen weg gezocht en gevonden: in de politieke theorie (Arendt), de filosofische geschiedschrijving (Löwith), de bio-ethiek en de techniek-filosofie (Jonas) en het kritische neomarxisme van de Frankfurter Schule (Marcuse).

Wolin behandelt hun denken uitvoerig en bekwaam in aparte hoofdstukken, maar indirect komt hij telkens ook op Heidegger terug. Want wat blijkt? Niemand is er volgens hem in geslaagd de invloed van de meester volledig af te schudden. Bij allen ontdekt hij `vooroordelen tegen de moderniteit', `antidemocratische' of `aristocratische' trekjes, sympathieën voor `staatssocialisme', afkeer van de `massamaatschappij' en meer van dit soort zaken, passend bij de typisch Duitse conservatief-revolutionaire Zeitdiagnose uit het interbellum, waarmee zij vooral via het denken van Heidegger zouden hebben kennisgemaakt.

Rechts en links

Nu valt er op deze visie wel iets af te dingen. De reserves tegen moderniteit, democratie en massamaatschappij of de voorkeur voor `staatssocialisme' kunnen natuurlijk evengoed een linkse, al dan niet marxistische herkomst hebben gehad. Extreem rechts en links hadden in het interbellum meer met elkaar gemeen dan ze bereid waren te erkennen.

Hoewel Wolin er nauwelijks over rept, wellicht om zijn vroegere geestelijke leidsman Adorno te ontzien (wiens Negative Dialektik jarenlang zijn filosofisch evangelie zou zijn geweest), is dit toch niet het meest problematische aspect van zijn ontegenzeglijk met veel kennis van zaken geschreven boek. Het geloof in Adorno – zo lezen we in het voorwoord – maakte dankzij enkele gastcolleges van Habermas in Berkeley al lang geleden plaats voor een nauwelijks minder groot geloof in democratische waarden, universele moraal en algemene rede. Het problematische van Heidegger's kinderen schuilt dáárin.

Niet dat Wolin democraat is, is het probleem (dat is tegenwoordig iedereen), maar dat de democratie ook in de filosofie zijn nec plus ultra vormt, zijn even ultieme als absolute maatstaf. Kun je met zo'n maatstaf wel recht doen aan de beslist niet democratische, universalistische of rationele filosofie van Heidegger, die door Wolin terecht `een van de mijlpalen van het moderne denken' wordt genoemd?

In zijn conclusie gaat Wolin deze vraag niet uit de weg, en zijn antwoord komt erop neer dat een meer sympathiserende aanpak Heideggers keuze voor Hitler als de `juiste' zou kunnen presenteren (zoals in de Heidegger-biografie van Ernst Nolte uit 1993 is gebeurd), en dat vindt Wolin om morele redenen onacceptabel.

Akkoord, maar zelf valt hij wel meteen in het andere uiterste door alle sympathie achterwege te laten en overal de conservatieve, antidemocratische en autoritaire kanten van Heidegger te benadrukken. Met als paradoxaal resultaat dat hij bij nagenoeg dezelfde conclusie als Nolte uitkomt, zij het zonder positieve toonzetting. Want doordat van Heidegger al in de jaren twintig een geestdriftig filosoof van de Duitse Sonderweg wordt gemaakt, krijg je onwillekeurig de indruk dat hij in 1933 wel voor Hitler moest kiezen – wat het weer raadselachtig maakt waarom hij van Wolin desondanks een belangrijke mijlpaal van het moderne denken mag blijven.

Wolin weet echter heel goed wat hem in Heidegger (en meer nog in diens leerlingen) aantrekt: het feit dat zij nog in staat en bereid waren (anders dan de huidige analytische filosofen) om `uit de pas te lopen met de voornamelijk utilitaristische gerichtheid van de `gemondialiseerde huidige leefwereld'. Bij hen was nog ruimte voor `bespiegeling over uiteindelijke waarden of doeleinden die niet door de inspanningen van het alledaagse zijn besmet'.

Jammer genoeg, aldus Wolin, luisterden zij vaak te weinig naar de `algemene rede'. Met andere woorden: zo'n bespiegeling over uiteindelijke waarden is prachtig, maar er moeten wel democratische waarden à la Habermas uit de bus komen. Bij Heidegger is daar geen sprake van, zelfs het denken in termen van waarden was hem al een gruwel. Zijn eigen Zijnsdenken speelde zich af op een heel ander, naar eigen zeggen `oorspronkelijker' niveau, dat niet meer op een conventionele manier aan politiek of moraal kon worden gekoppeld.

Dat werpt ook een iets ander licht op zijn nazi-engagement. Heidegger paste zijn filosofie in 1933 niet aan het nazisme aan omdat hij dat boven het Zijnsdenken verheven achtte, maar omdat hij in Hitlers `nationale revolutie' een unieke mogelijkheid meende te zien voor een andere, geestelijke revolutie, die Europa, te beginnen met Duitsland, weer in een `eigenlijke' verhouding met het Zijn zou kunnen plaatsen.

Grote domheid

Ziedaar de grosse Dummheit, die Heidegger na afloop heeft toegegeven: hij had zich in Hitler vergist. Dat hij tegelijkertijd weigerde serieuze excuses te maken (met name aan zijn joodse ex-leerlingen) voor zijn engagement met een antisemitische beweging of voor zijn medeverantwoordelijkheid, hoe indirect ook, voor de holocaust, is tekenend voor zijn weinig aantrekkelijke karakter niet per se voor zijn filosofie.

Op vergelijkbare manier is die filosofie niet noodzakelijk gebonden aan het nazisme. Wie nu Sein und Zeit leest, kan makkelijk in de ban raken van Heideggers Zijnsvraag of van de `existentiale' voorbereiding daartoe, zonder ook maar een moment bekropen te worden door een dwingende behoefte om nazi of fascist te worden. Ook Wolin erkent dat als hij schrijft dat het `onzinnig' zou zijn `om te stellen dat Heideggers politieke misstap, hoe kolossaal ook, op een of andere manier zijn immense filosofische prestaties in diskrediet zou brengen'.

Door Heideggers denken niettemin voortdurend langs de democratische meetlat te leggen, doet Wolin toch wel een beetje wat hij hier zelf onzinnig noemt. Bovendien wekt hij de schijn filosofie te willen reduceren tot louter politiek en moraal, en dan ook nog tot één soort politiek en één soort moraal. De filosofie als vrijplaats voor onbevangen reflectie over politiek en moraal (en over nog veel meer) wordt zo subtiel de nek omgedraaid.

Ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Maar het resultaat is wèl dat Wolin in zijn boek van een even grote (zo niet grotere) politieke en morele vooringenomenheid getuigt als die welke hij zijn onderwerp in de schoenen tracht te schuiven. Deze vooringenomenheid moet je, ook op het filosofische vlak, ten volle delen om met zijn beoordeling van Heideggers denken en erfenis te kunnen instemmen.

Richard Wolin: Heideggers kinderen. Hannah Arendt, Karl Löwith, Hans Jonas en Herbert Marcuse. Vertaald door Rob van Essen. Atlas, 351 blz. €24,90