Satan is een charmeur

John Milton schreef een majestueus epos over de zondeval en de verdrijving van de mens uit het paradijs, dat nu in een voortreffelijke Nederlandse vertaling is verschenen. De protestantse worsteling met een dictatoriale God en een verleidelijke duivel.

Op het dramatische hoogtepunt van het christelijk epos Paradise Lost van John Milton, wanneer Satan triomfantelijk is teruggekeerd naar de Hel, zijn missie heeft volbracht, de mens is gevallen, wordt duidelijk wat de zondeval inhoudt. Na Adams instemming met Eva's enthousiasme om de verboden vrucht van de boom der kennis te eten, verandert alles. Eerst geeft het paar zich euforisch over aan lust: maar schuldeloze seks (die er voordien was in het Paradijs) wordt nu gevolgd door tristitia post coitum, en fataler nog, door twijfel, angst en zelfhaat.

Schaamtevol zoekt Adam de dood: O conscience! into what abyss of fears and horrors hast thou driven me! Wanneer die dood niet komt en Eva hem zacht wil troosten, jaagt hij haar woest van zich af (nu in Peter Verstegens nieuwe, knappe vertaling): `Ga uit mijn ogen, slang! Die naam past jou,/ Omdat je met hem heulde, even vals,/ Even gehaat; je mist alleen zijn vorm/ En kleur [...].'' Als God de vrouw niet had geschapen, meent de dichter, `was nooit dit kwaad/ Geschied, noch wat komen gaat, tal van/ Verwarringen op aard door vrouwenlist / [..] Want of/ De man vindt nooit een goede gezellin,/ Maar slechts de vrucht van tegenslag of misslag/ Of hij wint niet wie hij het meest begeert [..] en ziet haar veroverd/ Door wie veel minder is [..].'

Eva, verward en in tranen, begrijpt dat hij buiten zichzelf is, en geeft vol berouw toe dat ze schuldig is een zeldzaam ontroerend moment omdat de lezer weet dat ze het niet is. Adam kalmeert. Maar het kwaad is geschied. Zo zal het voortgaan in mensenlevens. Rampspoed, onrecht, woede, dood.

Deze scène uit een huwelijk is misogyn noch autobiografisch (beide stellingen zijn herhaaldelijk door critici betrokken). Het is een illustratie van menselijk mislukken, van de hopeloze condition humaine. Een dramatische meesterzet in een epos dat in zijn aanhef heeft beloofd te verhalen `Van mensen eerste opstand en de vrucht/ Van de verboden boom, fataal geproefd/ Die dood bracht in de wereld, al ons wee/ Eden verloren', en dat op een manier `nooit in vers of proza beproefd'.

Milton, tijdens de compositie van dit meesterwerk al jaren blind aan beide ogen, laat zien wat de zondeval betekent: hoe diep en onuitroeibaar fouten, onrecht en reddeloosheid in ons bestaan zijn verankerd. Net zoals hij kort daarvoor in het epos heeft laten zien hoe paradijselijk en dus hoe ondenkbaar in menselijke (hoewel niet in poëtische) termen het paradijs was met zijn eendracht, harmonie en tevredenheid. Dat is dus die beruchte zonde, denkt een moderne lezer, die zijn grootouders ooit wel eens iets over het fenomeen heeft horen vertellen.

Paradise Lost is, in het voetspoor van het bijbelboek Genesis 1-3, een verhaal over de oorsprong, een `aetiologische' mythe. Ze verklaart de `oorzaak' van onze toestand uit een mythisch verleden, of dat nu bedacht is of geopenbaard. Vrouwen, geplaagd door barensweeën, menstruatie, fysieke inferioriteit aan de man, moeten, zo redeneert deze mythe, als God rechtvaardig is, iets meer fout hebben gedaan dan de man: vandaar dat Eva als eerste viel voor de verleiding van de duivel. Kennis, dat wil zeggen bewustzijn van goed en kwaad, leidt tot impasse en verlamming, en moreel neutrale kennis leidt tot ellende, of tot niets: dat moet een rechtvaardige God dus verboden hebben.

Als God rechtvaardig is. Maar is hij dat ook? Ziedaar de vraag naar de theodicee, de rechtvaardiging van het goddelijke. Milton schreef to justify the ways of God to men, als dichter, theoloog en protestants politicus in de vuurlinie van een verwoestende burgeroorlog. Zijn antwoord maakt Paradise Lost diep problematisch en aangrijpend.

John Milton (1608-1674) wilde al vroeg literator worden, geen wonder voor iemand met zijn ongelooflijke intelligentie, nieuwsgierigheid, retorische gaven en unieke muzikaliteit in taal en toon. Toen hij daarvoor de noodzakelijke voorbereidingen aan het treffen was op een Grand Tour door Italië, bereikte hem het nieuws dat in zijn vaderland een burgeroorlog was uitgebroken. Het Engelse parlement, gedomineerd door Puriteinen, was in opstand gekomen tegen de autocratische en naar Rome neigende koning Karel I. Deze burgeroorlog, die Karel uiteindelijk letterlijk de kop kostte, is door Milton aan protestantse zijde energiek gesteund als ideoloog en pamflettist. Later werkte hij als Latijns secretaris (verantwoordelijk voor de internationale politieke correspondentie) onder Cromwell, die na de executie van Karel een bewind instelde met sterk dictatoriale trekken. Milton diende Cromwell nooit slaafs. Hij geloofde in de goede doelen van het regime, maar niet zonder kritiek. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat hij bij de restauratie van het koningshuis in 1660 werd gespaard en, zij het verstoken van inkomen en aanzien, in de duisternis van blindheid én desillusie verder kon werken. Op die manier, dicterend als een Homerus, voltooide hij uiteindelijk zijn meesterwerk, ver van de waanzinnige meute.

Miltons strenge, dictatoriale God kan niet zomaar met Cromwell worden geïdentificeerd, maar Gods optreden in zijn werk krijgt door de parallel wel extra reliëf. De godsdienstoorlogen die de zeventiende eeuw ook buiten Engeland hebben geteisterd, waren voor Milton een bloedige realiteit, die getuigde van de zondeval: het geloof dat er iets door bereikt kon worden, was goddelijke gratie, hoe schimmig ook. Het hartverscheurende drama dat Paradise Lost vertelt over de romantische held Satan én zijn menselijke anti-helden Adam en Eva, verdoemd tot menselijke fouten, is op elke pagina doordrenkt van de protestantse obsessie met autoriteit, schuld en geweten. Het laat veel zien over het protestantisme, met een ook voor moderne Nederlandse lezers instructieve en angstaanjagende kwaliteit. Het lezen van Milton nu, tijdens de rokerige dageraad van een nieuw moreel reveil, roept zelfs prangende vragen op. Naar de aard van de verleiding bijvoorbeeld (bij Milton kennis, vandaag vergetelheid, domheid en geld), naar de consequentie en de verdedigbaarheid van de hoogste autoriteit, naar maakbaarheid, geweten en liefde.

De kern van Miltons probleem is het bestaan van het kwaad. Waarom en waarvoor zijn wij gestraft met zulke oneindige pijn in het leven en zoveel onzekerheid over de mogelijkheid van redding? Dit kwaad wordt in het epos belichaamd door de gevallen aartsengel Satan. Direct na de traditionele aanhef van het epos (boven geciteerd), valt de dichter met de deur in huis. Hij vraagt zijn Muze Urania what cause/moved our grand parents [..] to fall off from their creator. Zij antwoordt: the infernal serpent, de helse slang.

Nu komt de eerste verrassing. We worden voorbereid op een sissend monster, met alle parafernalia van een horrorfilm. Maar we krijgen iets anders. Lucifer, ontwaakt uit de verdoving na zijn val uit de hemel samen met eenderde van de engelenpopulatie en vanaf het begin van het epos vol in de schijnwerpers, blijkt een meeslepend, energiek, romantisch, brutaal en verleidelijk individu. Neem nu Satans eerste woorden, waarin dit hele spel van dubbelzinnigheden al is vervat. Ze zijn gericht tot zijn adjudant Beëlzebub, die nog verdoofd is door de negendaagse val uit de Hemel: `Als jij het bent zo door je val vervreemd van wie je was in 't blijde rijk des lichts, Gekleed in hoogste klaarheid.' Dit is niet alleen, zoals Peter Verstegen in zijn meestal uitstekende commentaar meldt, een echo van Jesaja 14:12 (`hoe zijt gij uit de hemel gevallen, morgenster!'). Verstegens vertaling verbergt enigszins een misschien nog belangrijker associatie: die met de woorden van Aeneas tot de droomverschijning van de dode Hector vlak voor de val van Troje in de Aeneis. Door die associatie, die Miltons publiek niet kon ontgaan, wordt Beëlzebub, als in een supersnel en dus haast onopgemerkt shot in de cinema, geassocieerd met Hector, en Satan dus met Aeneas, bij Vergilius vroom, de ultieme verantwoordelijke held. In de middeleeuwse traditie was hij daarom geen heidense zondaar, maar de personificatie van de Sainte Église geworden. Door het spannen van een net van associaties integreert Milton christelijke, joodse en klassieke tradities met meesterhand en subtiliteit.

Want de Heilige Kerk van Rome was volgens de protestant Milton natuurlijk een monster. Maar Aeneas was een held, en Vergilius was Miltons grootste voorbeeld. Deze dubbele natuur van Satan held én monster wordt bij zijn eerste woorden tot leven gewekt door de verwijzing naar een klassiek heldendicht. De heroïsering gaat vervolgens verder en verder. Na een `godenvergadering' in de Hel besluit Satan zelf alleen de gevaarlijke reis naar de aarde te ondernemen, die naar verluidt zojuist is geschapen, om te kijken of hij daar een lotsverbetering voor zichzelf en zijn gevallen kompanen kan bewerkstelligen. Als een martelaar voor zijn verslagen troepen, trekt hij door de eenzame chaos, op zoek naar roem, zou Homerus zeggen, om die zelf te krijgen of een ander te verlenen. De lezer houdt het hart vast, want Paradise Lost blijft, ondanks de bekende afloop, ongelooflijk spannend. Satans status als held heeft natuurlijk, zoals ook vaak is opgemerkt, trekjes van een parodie, en in een parodie op het martelaarschap schuilt ook impliciete kritiek op de door Milton gehate katholieke popery. Maar, en dat is de kern, de presentatie van Satans karakter is fundamenteel dubbelzinnig.

Die ambiguïteit komt voor een deel door Miltons dramatische techniek, die niet toestaat dat in een conflict de tegenstander alleen maar als slecht wordt voorgesteld en de held alleen maar goed, zoals Aristoteles zou hebben voorgeschreven, een regel die de zeventiende-eeuwse dramacultuur (vooral bloeiend in Engeland en Spanje) nauwgezet had gevolgd. Milton had zijn hoofdwerk dan ook oorspronkelijk niet als epos maar als tragedie opgezet, die één van de velen uit zijn tijd zou zijn geworden over het onderwerp, van Hugo Grotius' Adamus Exsul, Vondels Adam in ballingschap en Lucifer, tot vele Italiaanse versies.

De charme van de Verleider Satan, noodzakelijk voor het drama, lijkt soms haast met Milton op de loop te gaan. Belangrijk gevolg is dat die charme ook het optreden van God in een ander daglicht stelt. Vooral sinds de Romantiek is de vraag naar de rechtvaardigheid van Miltons God omstreden. Onafhankelijk van elkaar zagen twee dichters die Milton bewonderden, Blake en Shelley, dat de bewondering van de dichter vooral uitging naar Satan, die als een gekwelde Prometheus rebelleert tegen een goddelijke almacht (of overmacht?), zoals Romantici zichzelf zagen rebelleren tegen de reactionaire gevestigde orde.

Daar kwam veel later nog Robert Graves bij, die zich verzette tegen de gekunsteldheid en geleerdheid van Miltons poëzie en de puriteinse intolerantie van de auteur. In zijn historische roman Wife to Mr Milton (1943) maakte hij van Milton een pedant monster, een sadistische hypocriet vol gefrustreerde geilheid en gedwarsboomde heerszucht. Daarmee werden de karakteristieken van Miltons tirannieke God geprojecteerd op de auteur. De ultieme consequentie trok weer een kwart eeuw later een van de scherpste critici ooit, William Empson, in Milton's God (1968): Miltons God was een terrorist, zij het één die niet genoot van zijn pijnlijke maatregelen.

Empson wees er in navolging van vele tijdgenoten van Milton op, dat de aanwezigheid van het kwaad in de wereld zowel Gods almacht (waarom voorkwam Hij het niet?) als Zijn goedheid (waarom tolereert Hij het?) in twijfel trekt. Miltons Satan had recht en reden om Gods almacht en voorzienigheid te betwijfelen (hoe zou hij anders zelf tegen hem in opstand hebben kunnen komen, bijvoorbeeld?) Satan lijkt bovendien in Miltons handen moreel niet onder te doen voor een God die goed beweert te zijn maar kwaad tolereert en het zelfs actief lijkt te stimuleren. Miltons God was, volgens Empson, inderdaad een tiran: de bestuursstijl in de Hemel vóór de engelenopstand is bars en ondoordacht. Bovendien houdt God niet alleen Satan, maar ook Adam en Eva aan het lijntje, als een goddelijke kat die speelt met de menselijke muis.

Deze bezwaren waren in theologische disputen uit Miltons tijd al met nadruk onder woorden gebracht. Milton antwoordde erop met de theorie van de vrije wil, in protestantse kringen altijd omstreden. Na de val van Satan heeft God zijn plannen moeten aanpassen. Hij heeft het heelal en de mens geschapen met de nadrukkelijke mogelijkheid vrijwillig te kiezen voor God en het goede, en langs pijnlijke paden van beproeving, uiteindelijk redding te vinden dankzij de interventie van zijn Zoon. De autocratische God van Milton wil dan ook, volgens Empson, juist afstand doen van zijn almacht, hij wil verdwijnen in het landschap, en de Zoon voortaan de rechtvaardigheid laten bestieren. Maar eerst moet er lang en hard gewerkt worden, om een situatie te creëren waarin recht en democratie mogelijk zijn, zoals ook Cromwell dacht.

De problemen van deze theorie zijn aanzienlijk. Milton was een overtuigd christen en een man wiens humaniteit hem niet toestond zijn God te haten. Een oplossing voor die problemen kan misschien gevonden worden in het allegorische karakter van Paradise Lost. De oude God, autocratisch en bars, wordt in het epos als het ware vervangen door de nieuwe, zijn Zoon Christus, die liefdevol is en rechtvaardig. Dat staat voor de vervulling van het Oude Testament door het Nieuwe. God vernieuwt zich, en gratie en liefde komen, door de interventie van Christus, beschikbaar voor wie ze wil en kiest.

Zo verdedigde Milton zijn God. Maar het probleem blijft: is de zondeval een ramp of een verkapte zegen geweest voor de mensheid, doordat het de komst van Christus nodig maakt? In beide gevallen is God in gebreke gebleven.

Het zijn de paradoxen uit deze haperende verdediging die Miltons werk tragisch maken, en daarom ook zo fascinerend. God blijkt niet alwetend, terwijl Satan wil wéten (bijvoorbeeld of God hem heeft geschapen, of dat hij net als God zichzelf schiep), net als Milton wil weten. En trouwens ontzettend veel wist, want hij was een van de grootste geleerden van zijn tijd; maar op weten staat straf, constateerde een benauwde, maar niet minder nieuwsgierige Milton.

Milton is niet alleen aangrijpend en actueel. Zijn poëzie hoort vooral tot het mooiste wat de Europese traditie heeft voortgebracht. Dat komt door zijn unieke muziek, vaak, terecht, vergeleken met die van Vergilius. Die muziek klinkt des te helderder, omdat zijn syntaxis ondoorzichtig is. Veel kritiek is geleverd op zijn Grecismen en Latinismen, zowel op woord- als op zinsniveau, die zijn verzen gekunsteld of ondoorzichtig zouden maken. Het is waar dat enige kennis van Latijn en Grieks vereist is om Milton in het origineel te lezen. Maar juist de merkwaardige plaatsing van woorden, het uitgerekte gebruik van de taal, maakt die taal ongrijpbaar, vol van sluimerende betekenis, van, in Miltons eigen onnavolgbare woorden over de Hel, darkness visible. Tevens geeft die complexiteit triomfantelijk aan Miltons muzikaliteit vrij spel.

Het is dan ook mijn enige bezwaar tegen de, zoals gewoonlijk briljante en scherpzinnige, vertaling van Peter Verstegen dat hij, om (in zijn eigen woorden) te voorkomen dat zijn vertaling een curiositeit zou worden, haar syntactisch `glad' trekt. Deze bewuste keuze, die de lezer aanzienlijk te hulp komt (net zoals zijn nuttige, geleerde commentaar, inleiding en appendix over de vermeende invloed van Vondel op Milton), leidt weliswaar nooit tot prozaïsche wendingen. Daar is Verstegen veel te goed voor. Maar ze doet Milton niettemin enigszins te kort en maakt hem minder verheven dan het origineel. En verhevenheid was wat Milton vóór alles nastreefde. Verstegen is goddank niet consequent: als hij dat was geweest had hij de titel moeten vertalen met `De teloorgang van het Paradijs' en niet met `Het Paradijs Verloren. `Paradise Lost' is, als Livius' `Ab Urbe Condita' een dominant participium, en in het Nederlands inderdaad een curiositeit.

Milton vertalen is geen sinecure (Verstegen begon met het afmaken van de vertaling van Wim Jonker, waarvan delen in de Tweede Ronde zijn gepubliceerd, maar kon zich niet beheersen en begon opnieuw). Een voorbeeld. Wanneer Satan als slang Eva benadert wordt hij bevangen door haar schoonheid, en wordt even stupidly good. Verstegen vertaalt hier `domweg goed' en dat is niet gek (maar mist de Latijnse associatie stupitus = verstomd). Eva's schoonheid verleidt de Verleider en maakt hem heel even `goed', maar niet écht, want hij snapt zelf niet meer wat goedheid is. De wrange paradox is typerend voor Milton, de puritein die naar God streeft, én de dichter van sensuele, muzikale poëzie. De superieure intellectueel die niet wordt begrepen en op zijn medemens neerkijkt, én de geëngageerde, empathische beschouwer van de menselijke conditie die hij was, in de duisternis van zijn dagen.

John Milton: Het paradijs verloren (Paradise Lost). Met alle prenten van Gustave Doré. Vertaald door Peter Verstegen. Athenaeum-Polak & Van Gennep, Grote bellettrie serie, 564 blz. €45,- tot 1 november, daarna €49,95