Pelgrims in Dokkum

Bij de Bonifatiuskapel staan veel bordjes. `Fietsen buiten het hek. Honden aan de lijn. Geen honden in het bassin', zegt het eerste.

Een tweede waarschuwt dat de vloer rond de fontein glad is. Nummer drie meldt dat het water uit een kraan geen officieel drinkwater is en het bordje naast de ingang maakt duidelijk dat de kapel dicht is. Pas over drie uur, om 14.00 uur, gaat hij open.

Ineens gaat de deur open. Een lange man met bril laat vier zomers geklede mensen uit. In zijn hand heeft hij een emmer sperziebonen. Die komen uit zijn moestuin rechts achter de kapel. Hij stelt zich voor als P. Douma. Hij is niet zo jong meer, nog van de generatie die op de lagere school jaartallenrijtjes moest kunnen opzeggen. Zoals `754, Bonifatius bij Dokkum vermoord'.

Douma zit in het bestuur van de parochie die de kapel beheert. Hij kijkt op zijn polshorloge. ,,Ik moet naar huis, maar het kan even.'' Binnen begint Douma te vertellen over Bonifatius en de plek waar hij zou zijn vermoord.

Bonifatius, geboren in 674, was een Engelse monnik die het christelijke geloof wilde verkondigen aan de in zijn ogen ongelovige Friezen. Op zijn zeventigste kwam hij bij Dockinga, zoals Dokkum toen heette. Afgezien van een klooster en enkele huizen was er niets. Het was er nat, zout en zompig, wegens de nabije zee. Op 5 juni 754 hebben `heidense' Friezen hem daar vermoord. ,,En met hem 52 volgelingen'', weet Douma, ,,die nogal eens vergeten worden.'' De een zegt dat het geloof de reden voor de moord was, de ander houdt het op een roofmoord.

Bonifatius werd begraven in Duitsland, maar een stukje van zijn schedel bleef in Friesland achter – als relikwie, die nu in een kerk van Dokkum ligt. De plek waar hij was gedood, werd al snel een bedevaartsoord, want er bleek een zoetwaterbron te zijn met geneeskrachtige werking. Nog steeds komen ieder jaar twintigduizend pelgrims uit binnen- en buitenland naar de in 1934 gebouwde kapel, om voor twee euro een flesje van het water mee te kunnen nemen.

Nog even snel een blik op het beeld van Bonifatius op het plein voor de kapel. Te midden van huizen tracht hij met een gewijd boek boven zijn hoofd de dodelijke slag af te wenden. Douma heeft zijn fiets al gepakt, de sperziebonen aan het stuur. ,,Zo, en nu ga ik naar huis.''