Pallache

In de bespreking van het boek over de zestiende eeuwse Samuel Pallache, een Marokkaanse jood van Spaanse komaf (Boeken, 29.08.03), neemt de beschrijving van het goede leven van de joden in Marokko een voorname plaats in. Ongeacht of het besproken boek dan wel Herman Amelink de oorspong van deze idyllische beschrijving is, feit blijft dat de sfeerschets geen recht doet aan de werkelijkheid waarmee joden in Marokko van doen hadden.

De stad Fez wordt door Amelink gekarakteriseerd als `de Marokkaanse stad waar sinds de dertiende eeuw al een bloeiende Joodse gemeenschap was'. Dat kan zijn, maar dat betekent dan wel dat de joden zich snel hebben hersteld van de vervolgingen uit de voorafgaande twaalfde eeuw. Bij de pogrom in Fez in 1165 kregen joden de keus tussen gedwongen bekering of de dood. Nadat de opperrabbijn van Fez, Jehoeda Ha-Cohen, levend was verbrand, koos Maimonides, een van de grootste joodse geleerden ooit, eieren voor zijn geld: hij vluchtte uit Fez en werkte de rest van zijn leven in het Egyptische Fostat.

De stelling van Amelink dat joden `zich makkelijker identificeerden met de moslims, omdat de Europese christenen hun beider tegenstanders waren' moge waar zijn, maar dan gold ze in ieder geval niet omgekeerd. Een krappe dertig jaar na de moord op Jehoeda HaCohen en de vlucht van Maimonides, vaardigde de Almohadische machthebber Jacob al Mansur vier vergaande beperkingen op divers terrein in voor de enige resterende groep joden, namelijk de tot de islam bekeerden. Handel op grote schaal was voor hen verboden, verder waren uitsluitend huwelijken met elkaar toegestaan, en werden vernederende kledingvoorschriften verplicht: ze dienden een te lange tuniek met dito veel te lange en wijde mouwen te dragen, terwijl de keppel tot voorbij de oren diende te reiken, waarmee het naleven van deze religieuze verplichting leidde tot een publieke vernedering. Tot slot werden zij verplicht tot het op zichtbare wijze dragen van de `shikla', het onderscheidingsteken voor joden (één van de historische bronnen voor de jodenster van de nazi's).

Deze periode uit de Marokkaanse geschiedenis vormt helaas geen uitzondering, maar de regel. Ongeacht welke eeuw uit de Marokkaanse geschiedenis van de afgelopen duized jaar men onder de loep neemt, onveranderlijk stuit men op rechteloosheid van de joodse bevolking en antisemitisme, uitmondend in verdrijving van joden uit hun woonplaatsen, brandstichting in synagogen en scholen, plundering en fysiek geweld.