Klok

Elke morgen kom ik hem tegen. Altijd in het zwart gekleed, opoefiets, de jas over het stuur als het warm is, een paraplu als regen dreigt. Hij zit rechtop, belt nooit, luistert niet naar muziek en kijkt recht voor zich uit.

En ik heb hem nodig. Zie ik hem bij het uitrijden van de straat, dan ben ik te laat. Zie ik hem bij de bocht langs het voetbalveld, dan moet ik doorfietsen. Zie ik hem tussen de weilanden, dan kan ik rustig verder rijden. En als ik hem niet zie, ben ik veel te vroeg, of veel te laat.

Hij kijkt me nooit aan, en ik zeg hem nooit gedag. Maar ik weet wat ik aan hem heb. En hij weet ongetwijfeld dat hij niets aan mij heeft.

Bijdragen van lezers zijn welkom via een formulier op www.nrc.nl/ik