Ik kwam, ik zag, ik ging nergens heen

In de schitterende slotpassage van The Great Gatsby, Scott Fitzgeralds roman over een Amerikaanse dromer die niet kan ontsnappen aan zijn verleden, wordt het lot van de titelheld verbonden met dat van ons allemaal:

`Gatsby geloofde in het groene licht, de orgiastische toekomst die jaar na jaar voor ons terugwijkt. Ze ontging ons toen, maar dat maakt niet uit – morgen zullen we harder rennen, onze armen verder uitstrekken.... En op een mooie ochtend...

`Zo beuken we door, schepen tegen de stroom in, onophoudelijk teruggeslagen naar het verleden.'

Dat laatste is ook bij uitstek het lot van de personages van Thomas Verbogt (1952). Alleen is het niet de toekomst die hun ontglipt maar het heden. Voorttobbend in hun dagelijkse leven, een kluwen van onbevredigende baantjes en moeizame relaties, proberen ze te achterhalen waar het in het verleden is misgegaan. Of ze denken obsessief terug aan de gelukkige tijden die ze ooit gekend hebben. `Momenten van goud' heetten die in Verbogts vorige roman Onze dagen (2001), waarin een man in crisis bezocht wordt door een geest uit het verleden. In zijn nieuwe roman Het ongeluk hebben ze geen naam, maar pijnigen ze de hoofdpersoon des te harder. `Ik wil niet iemand zijn die probeert iets te ontdekken wat er niet meer is', zegt de vijftigjarige Rik van Maanen tegen zichzelf als hij langs zijn verbouwde middelbare school loopt; `iemand die dat ook wel weet maar toch blijft kijken.'

Ongewenst bezoek

Na tien jaar van relatieve rust in zijn leven is Rik van Maanen, de succesvolle scenarist van een vernieuwend televisieprogramma over geluk, weer `teruggeslagen naar het verleden.' Niet door de dood van de vader van een jeugdvriend (die hem terugbrengt naar zijn geboortestad in het oosten des lands), maar door het ongewenste bezoek dat 's nachts om half vier aan zijn Amsterdamse voordeur verschijnt. Een onsamenhangend pratende zwerfster blijkt een schoolvriendin, die hem als een klassieke furie achtervolgt met haar kennis van het nooit geheelde trauma van zijn leven: de dood van zijn grote liefde (en jarenlange partner) Marleen Dubois. Twintig jaar geleden kwam ze om bij een vliegtuigongeluk, op weg naar Londen; een schok die des te groter was omdat Rik haar verwachtte op het station, waar ze terug zou komen van een kunsthistorisch congres in Frankfurt.

Marleens verdwijning is een raadsel. Voor Rik, denkt de lezer in de geheimzinnige eerste hoofdstukken van Het ongeluk. Maar meer nog voor de lezer, zo wordt gaandeweg duidelijk. Kleine aanwijzingen suggereren dat Rik er meer van afweet dan hij ons – als verteller van het verhaal – laat weten. En de spanning wordt nog opgevoerd als op eenderde van de roman, tijdens een reünie-etentje, een andere vriend uit een ver verleden argeloos vertelt dat hij Marleen in een flits heeft gezien, in Kathmandu. Totaal van zijn stuk gebracht besluit Rik naar de Nepalese hoofdstad af te reizen om zijn verloren gewaande geliefde te zoeken – met achterlating van zijn vrouw sinds tien jaar, de trouwe Anna.

Je kunt Verbogts roman omschrijven als een literaire thriller, van het soort waarin Tim Krabbé excelleert. Sterker nog: Het ongeluk leest als een goede kluts van Het gouden ei en De grot. Verbogt heeft dezelfde obsessie met `de vrouw die verdwijnt' (en leefde die eerder uit in De verdwijning, 1999). Hij is net als Krabbé niet bang voor nostalgie naar de gouden dagen van de jeugd(-liefde) en beschrijft de middelbareschooltijd als de beslissende periode van een mannenleven. En hoewel hij niet zo uitgebeend schrijft en minder vaardig de kunst van het weglaten beoefent, is er zelfs stilistische verwantschap met Krabbé: eenvoudige zinnen, natuurlijke dialogen, subtiele ironie en een slim spel met flashbacks en vervreemdingseffecten.

Krabbé is een bestseller; Verbogt, die inmiddels veertien titels op zijn naam heeft staan, leidt als schrijver een bestaan in de marge. Het verschil in (publieks-)succes zou kunnen liggen in het feit dat de romans van Verbogt minder plotdriven zijn. De ontknoping van Het ongeluk is niet al te sterk, een tikje ongeloofwaardig zelfs – de Verbogtfan wordt herinnerd aan de zwakke eindes van verder geslaagde romans als De verdwijning en Onze dagen. Maar het lijkt of Verbogt zich daarom niet bekommert. Zijn belangstelling gaat in de eerste plaats uit naar de hoofdpersoon, en die komt in al zijn tobberige tragiek goed over het voetlicht. Rik van Maanen is een man met wie je meeleeft. Zijn twijfels, zijn angsten, zijn schuldgevoelens over de vermeende dood van zijn jeugdliefde worden goed opgeroepen, in de vorm van mooie zelfbespiegelingen. `Ik ging nergens heen, ik kwam nergens vandaan, ik ging alleen maar mee,' zo karakteriseert hij zijn leven wanneer hij zich laat verleiden tot een slippertje. En dertig pagina's verder biedt hij nog herkenbaarder inzicht in zijn eigen existentiële onhandigheid: `Ik vind mensen ingewikkeld en mensen bij elkaar nog ingewikkelder en mezelf met of zonder mensen het meest ingewikkeld.'

Het ongeluk, met zijn driedubbelzinnige titel, is behalve de ontraadseling van een mysterie ook een roman over het wezen van het geluk. Rik heeft het gekend, niet alleen met Marleen (die hem in zijn studententijd van zijn minderwaardigheidscomplex verloste), maar ook met Gemma en Anna. Hij wordt dankzij de door hem geschreven televisieshow zelfs gezien als een expert in geluk. Maar de leugen-om-bestwil waarop hij zijn leven na Marleen heeft gebaseerd, maakt het hem onmogelijk om het geluk vast te houden wanneer hij het hervindt. `Misschien is er wel sprake van geluk als je er makkelijk over kunt praten', denkt hij, om er onmiddellijk aan toe te voegen: `Dat lukt me nooit, er makkelijk over praten.'

Geluk

Rik, of liever zijn schepper Thomas Verbogt, is te bescheiden. De mooiste passages in Het ongeluk zijn die waarin het geluk wordt beschreven. Het afscheid van een vader in de trein die twee jongens naar het verre Rome zal brengen (`hij gunt ons onze stralende toekomst'). Een meisje dat haar vriendje na het vrijen op een zomermiddag een gedicht van Hans Lodeizen voorleest. Een liefde op het eerste gezicht die zich ontwikkelt als in een romantische speelfilm. De zin waarin dit laatste gebeurt telt 317 woorden en is te lang om te citeren, maar is de mooiste illustratie van het melancholiek-Campertiaanse schrijven dat de boeken van Verbogt de moeite waard maakt.

Natuurlijk blijft er voor de lezer van Het ongeluk wel wat te wensen over. Het slot kan scherper; de satirische intermezzo's – over de televisiewereld, over studeren in het Nijmegen van de jaren zeventig – vallen uit de toon; de onwaarschijnlijkheden in de plot hadden wat zorgvuldiger weggepoetst kunnen worden, en de roman is eigenlijk te kort voor het verhaal dat wordt verteld. Maar zoals Rik over zijn programma opmerkt: `Het gaat er niet om wat je wilt. Het gaat erom wat er gebeurt.' En in Het ongeluk gebeurt genoeg om ook de kritische consument tevreden te stellen.

Thomas Verbogt: Het ongeluk. L.J. Veen, 208 blz. €12,50