Het riddim-circus

Jamaicaanse ritmes, `riddims', lenen zich goed voor hergebruik. ,,Als een riddim ruikt naar hitsucces worden er meteen meer versies op de markt geslingerd.''

Draai No Letting Go van de Jamaicaanse zanger Wayne Wonder, Get Busy van zijn landgenoot Sean Paul en Never Leave You van de New Yorkse zangeres Lumidee, alledrie recente top-tien-hits, eens achter elkaar. Uiteenlopende nummers zijn het: 't eerste is een mooi, maar wel wat zoetelijk lied, het tweede een opruiend staaltje `dancehall' en het derde een vlot r&b-wijsje van een weinig toonvaste zangeres, waaraan in de remix-versie de beroemde rapper Busta Rhymes te pas komt. Maar luister eens goed, want dan blijkt dat ze alledrie dezelfde basispartij hebben. Het is een opwindend ritme met spannende trommels, een onregelmatig heiende basdrum en polyritmisch handgeklap.

Wat is dat toch voor ritme? Er zit een oosterse toets in, alsof het op een Arabische kasba of een drukke Indiase markt thuishoort, maar het klinkt tegelijk zo heftig en `streetwise' dat het in een zwart getto niet misstaat. Die oosterse inslag is verantwoordelijk voor de naam van dit ritme (of riddim, in Jamaicaans patois): Diwali. Diwali komt van het hindoeïstische feest van het licht. Deze drie versies van dit riddim zijn lang niet de enige. Op de compilatie The Greensleeves Rhythm Album: Diwali staan niet minder dan twintig Jamaicaanse nummers met dezelfde basis, en daar zijn de hits van Sean Paul en Lumidee nog niet eens bij.

De kiem van dit Diwali-riddim ligt in de reggae. Zo komt een belangrijk fenomeen uit die muziek bovengronds. In Jamaicaanse muziek is het niets bijzonders dat een bestaande begeleidingspartij ofwel `riddim' wordt hergebruikt. Maar dat zo'n riddim ook meermalen in de westerse hitlijsten opduikt is nieuw. Dat heeft natuurlijk te maken met de steeds sterkere verspreiding van reggae en hedendaagse afgeleiden als dancehall en ragga in het bewustzijn van de westerse popconsument, en anders wel in dat van alerte producers als The Neptunes en Timbaland.

Schijnbaar in tegenspraak daarmee is dat het Diwali-riddim eigenlijk nauwelijks meer aan reggae doet denken. Daarom wist de Jamaicaanse muziekgemeenschap eerst niet goed raad met het Diwali-riddim. Producer en toetsenman Steven `Lenky' Marsden, die enkele malen de wereld rondtoerde in de band van Buju Banton, had het riddim in zijn oervorm al in 1998 in elkaar geknutseld. Toen na de gebeurtenissen van 11 september 2001 de tourschema's van de meeste Jamaicaanse artiesten grote gaten vertoonden, bedacht Marsden dat er wel weer een markt voor nieuwe riddims zou zijn. Maar wegens het ongebruikelijke karakter ervan kreeg hij aanvankelijk nauwelijks iemand zo ver om de track in te zingen, en zeker geen bekende namen.

Zoetelijk zangwerk

Nadat hij er minder erkend talent als Zumjay en Assassin op had losgelaten, en het resultaat behoorlijk wat radio-airplay genereerde, meldden de grotere jongens zich weer bij Marsden. Mensen als Buju Banton, Bounty Killer, Spragga Benz, Madd Anju en meer zangers en `singjays' met exotische pseudoniemen gaven ieder hun uiteenlopende visies op het Diwali-fenomeen: van virtuoze staaltjes zoetelijk zangwerk tot rauwe, dreigende, ritmische woordenvloeden in `singjay'-stijl. En zo werd dit riddim het meest populaire van 2002, alomtegenwoordig in de Jamaicaanse muziek.

De recycling van bestaande begeleidingspartijen is al decennia staande praktijk in de bedrijvige, maar ondoorzichtige Jamaicaanse muziek-economie. Het begon met de opkomst van de dub, algemeen toegeschreven aan de tragisch vermoorde King Tubby: een vorm van marihuana-gestuurde psychedelica waarbij een bestaand nummer wordt ontdaan van de zangpartij, die soms, gefragmenteerd en bewerkt met echo's en andere geluidseffecten, mag terugkeren in een geluidsbeeld dat op zijn best een hoogst verontrustende werking heeft en waarin slechts het doorgaande drums- en baspatroon, ofwel het riddim, houvast geeft.

Al snel werden deze goeddeels instrumentale versies zelf weer de basis van de verrichtingen van de deejays of singjays. In de context van de Jamaicaanse sound systems (mobiele geluidsinstallaties die feesten en danspartijen opluisteren) is dat niet de man die de platen opzet, dat doet de `selector', maar degene die over zulke riddims ritmische woordenstromen uitbraakt, waarin vaak gereageerd wordt op het te berde gebrachte in het origineel. Stop That Train van Bob Marley's groep The Wailers muteert tot Draw Your Brakes, als Scotty Scott zich er met de nodige verbale brille mee bemoeit. Het is dan begin jaren zeventig, nog voor de geboorte van de Amerikaanse hiphop. Dit is niet de enige keer dat de Jamaicaanse muziek vooruitloopt op ontwikkelingen in de westerse pop: het riddim-circus is een voorloper van de hele remix-cultuur waar westerse dansmuziek en hitparadeleveranciers op drijven.

Als het mogelijk is om van een enkel nummer nog een dub- en een deejayversie te maken, zullen gehaaide producers gedacht hebben, kunnen we er ook een nieuwe melodielijn overheen gooien en er een andere zanger voor inhuren. En zo geschiedde, en nog eens, en nog eens. Soms met een toegevoegde blazerssectie of een aangedikte baslijn. Vooral de klassieke, droge en altijd dansbare riddims van het Studio One-label, uit de vroege jaren zeventig, lieten zich met vrucht honderden malen hergebruiken, in gedigitaliseerde vorm tot op de dag van vandaag. Producers ruilden onderling effectieve riddims, met een nieuwe golf meer of minder geslaagde versies als resultaat. Over auteursrechten werd niet moeilijk gedaan, want dat is berucht schimmig gebied op Jamaica.

Uit deze tijd stammen de eerste `one rhythm albums' of `version albums': platen waarop allerlei versies van een en hetzelfde riddim bij elkaar zijn gebracht. Vermoedelijk zijn degenen die klagen dat reggae altijd hetzelfde klinkt ooit geconfronteerd geweest met zo'n plaat. Op hun best zijn de verschillende versies echter zo uiteenlopend gearrangeerd, gemixt en bewerkt, dat de nietsvermoedende luisteraar soms pas na een hele tijd in de gaten heeft dat steeds hetzelfde drumpatroon en baslijntje voorbijkomen.

Vullertjes

Ja, da's makkelijk, zult u zeggen, zo wordt het platenkopend publiek mooi in het ootje genomen. Maar anders dan bijvoorbeeld het soullabel Motown, dat in de jaren zestig soms complete backing tapes van recente hits benutte voor bijna identieke coverversies als vullertjes voor albums van mindere goden, maken deze Jamaicaanse producers/entrepeneurs steeds iets anders van hun basismateriaal. Op die manier haalt men het onderste uit de kan en wordt economisch zelfbehoud de basis voor creativiteit. De overlevingseconomie van de derde wereld als voedingsbodem voor muzikale ontwikkelingen.

Van een incident is deze riddim-cultuur uitgegroeid tot de ruggengraat van de Jamaicaanse muziekindustrie. Als een riddim ruikt naar hitsucces, worden er meteen pakweg 15 of meer versies tegelijk op de markt geslingerd. Dat is tegelijk een mooie manier om jong, onbekend talent voor te stellen: het kost immers nauwelijks een Jamaicaanse dollarcent om zo iemand op een al bestaande begeleidingspartij zijn creativiteit te laten uitleven.

Tot zover wijkt de geschiedenis van het Diwali-riddim nauwelijks af van die van talloze andere. Zelfs de oosterse inslag is niet nieuw, getuige alleen al de namen van populaire, recente riddims als Tai Chi, Tabla en Bollywood. Het `zingende' geluid van de Indiase tablas werd tien jaar geleden al geïmiteerd in de Bogle-stijl.

Het voornaamste verschil tussen de honderden riddims die sinds jaar en dag van de lopende banden in de Jamaicaanse studio's komen en het Diwali-riddim is dat de westerse mainstream-popscene er plat voor gaat. Het aantrekkelijke ervan moet hem in de exotische toets zitten, in de opzwepende kwaliteiten en de bijna universele toepasbaarheid – des te meer omdat, net als in meer actuele dancehall-riddims, een baslijn ontbreekt.

Het kostje van schepper Steven `Lenky' Marsden is in ieder geval gekocht. Amerikaanse topproducers als Sean `P. Diddy' Combs en Timbaland staan in de rij om met hem te werken en Destiny's Child-zangeres Beyoncé bewees hem de ultieme eer: Baby Boy, haar duet met Sean Paul die zijn wereldfaam nota bene grotendeels heeft te danken aan het Diwali-riddim, is er geheel in Jamaicaanse zakenstijl een onvervalste rip-off van.