Het einde van de achteloosheid

Niet alleen in Nederland, overal in West-Europa wordt het vraagstuk van de immigratie en integratie onderzocht. De roep om burgerschap klinkt steeds luider, nu het aloude idee van multiculturele vrijheid en blijheid op zijn grenzen is gestuit. Een overzicht.

Het is een teken aan de wand als de nieuwe Nederlandse minister van Vreemdelingenzaken bijna terloops opmerkt: ,,Niet alles wat anders is, is waardevol'', zoals deze Prinsjesdag gebeurde. In die ene opmerking ligt een wereld van verschil besloten met het beleid van de afgelopen jaren, waarin het juist ging om diversiteit als was het een dogma. De culturele verschillen die door de komst van migranten van over de hele wereld enorm zijn toegenomen werden gevierd als een verrijking, zonder door te vragen naar de diepgang van die verschillen. Want wie dat doet, begrijpt dat diversiteit ook etnisch of religieus fanatisme omvat, houdingen waartegen men zich in een open samenleving zou willen beschermen.

Nu in Den Haag deze weken de balans wordt opgemaakt van bijna dertig jaar integratiebeleid, of misschien wel veel meer de balans wordt opgemaakt van het ontbreken van een waarachtig beleid, is het juist van belang om over de grenzen te kijken. In de ons omringende landen is een vergelijkbare verschuiving in de publieke opvattingen waarneembaar. Overal is het afscheid van het multiculturalisme in volle gang en komt daarvoor in de plaats een veel verplichtender idee over burgerschap. Die roep om inburgering maakt een geweldig tekort zichtbaar: ja inburgering, maar waarin dan? En daar kon alle goedbedoelde jubel over diversiteit geen antwoord op geven, want de vraag was nu onontkoombaar: wat hebben we, alle verschillen in aanmerking genomen, nog gemeenschappelijk? Anders gezegd: diversiteit is nog geen democratie.

En zo zien we in tal van Europese landen het paradigma verschuiven. Christian Joppke en Ewa Morawska kenmerken deze omslag in de bundel Toward assimilation and citizenschip als `een beweging weg van multiculturele en postnationale gezichtspunten in de richting van een nieuwe nadruk op assimilatie en burgerschap'. Niet alleen in Europa staat burgerschap nu centraal, maar ook in een klassiek immigratieland als Australië, waar mede onder invloed van een populistische beweging (met de veelzeggende naam `One Nation'), de opvattingen aan het schuiven zijn weg van het officiële multiculturalisme.

In de bundel komen verschillende landen aan bod en vooral de vergelijking van grotere Europese naties is interessant. Rogers Brubaker concludeert dat het denken in die landen inderdaad is gekanteld: `We zien een verschuiving weg van een automatische waardering van culturele verschillen naar een hernieuwde zorg voor maatschappelijke integratie. Dat betekent geen terugkeer naar de slechte tijd van een arrogant assimilationisme.' Het huidige streven naar assimilatie is er volgens hem vooral op gericht segregatie en marginalisering tegen te gaan.

Vragen over inburgering worden in de drie grootste landen van de Europese Unie het scherpst geformuleerd als het gaat om de houding tegenover moslimmigranten, Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië kennen een omvangrijke moslimbevolking, afkomstig uit respectievelijk de Maghreb, Turkije en Zuid-Oost Azië. Deze gemeenschappen verschillen onderling aanmerkelijk en toch zijn de problemen die hun islamitische wortels in deze landen oproept vergelijkbaar. Want ook al is ons keer op keer verzekerd dat immigratie van alle plaatsen en alle tijden is, toch is er iets nieuws aan de hand. De omgang met zo'n vijftien miljoen moslims in de Europese Unie, die in de komende decennia zullen uitgroeien tot circa veertig miljoen, vormt een geheel nieuwe kwestie.

De uit Syrië afkomstige politicoloog Bassam Tibi, sinds dertig jaar hoogleraar te Göttingen, laat er in Islamische Zuwanderung geen twijfel over bestaan. Tot op heden kan de integratie van vooral moslims in Duitsland volgens hem als mislukt worden beschouwd. Hij vreest dat de maatschappelijke vrede in het geding is, en ziet de samenleving uiteenvallen in Parallelgesellschaften, etnische enclaves waar iedereen op zichzelf leeft en weinig contact heeft met de omgeving. De orthodoxe islam en de politieke islam (`het islamisme) zijn daar bewust op uit en deze stromingen beheersen de officiële instituties die in Duitsland van moslimzijde zijn ontstaan. In enkele van deze niches zoals in Hamburg zijn de aanslagen van 11 september 2001 voorbereid.

Tibi schrikt niet terug voor tal van herhalingen om de lezer zijn boodschap in te peperen, maar zegt niettemin veel behartigenswaardigs over de islam in Duitsland, waarbij hij ook zijn teleurstelling over het onvermogen van de ontvangende samenleving niet verbergt. Hij is dus bepaald niet eenzijdig in zijn antwoord op de schuldvraag naar de mislukte integratie, maar zijn voornaamste kritiek geldt toch de afstandelijke of zelfs afwijzende opstelling van veel moslims en de naïeve reactie van goedgelovige Duitsers (`Deutsche Gutmenschen'), die met terugwerkende kracht het nazi-verleden wilden helen door het vreemde te omarmen.Die kant van Duitsland maakt het in Tibis ogen tot een `neurotische natie'. De Duitsers die hun eigen identiteit verwerpen, maken zich breed voor de bescherming van de identiteit van migranten.

Er bestaat volgens Tibi in de islam als meerderheidsreligie geen antwoord op de ervaring om duurzaam een minderheid te zijn. Hij wijst op de essentiële rol van de hidjra in de islam, de migratie van de profeet Mohammed van Mekka naar Medina, waarmee de islamitische jaartelling begint. Anders gezegd: de migratie en verbreiding van de islam zijn historisch verbonden en die herinnering vormt ook nu nog een blokkade voor werkelijke integratie. Tibi signaleert de grote complicatie dat `volgens de religieuze doctrine van de islam een moslim zich slechts tijdelijk en met een omschreven doel in het land van de ongelovigen (Dar al-kuffar) mag vestigen en zich op lange termijn niet mag onderwerpen aan een niet-islamitische orde.'

Wil de islam zich een plaats verwerven in de liberale samenleving, dan zal het zich dus moeten bevrijden van veel historische ballast. Tibi verdedigt met verve een religieus pluralisme dat alleen in een seculiere samenleving kans van slagen heeft. Maar in Duitsland bestaat daarover geen helder idee. Men ziet onvoldoende dat het individualisme van de Europese Verlichting makkelijk kan botsen met de houding van veel migranten die in een etnisch-religieuze gemeenschap hun heil zoeken en vinden. Er is, meent hij, een Europese Leitkultur nodig: in het geval van een conflict horen de westerse grondwaarden voorrang krijgen boven de islamitische.

Veel van Tibis vragen zien we terug in Frankrijk, hoewel hij het land in menig opzicht als voorbeeld ziet van secularisme en burgerschap. Uit La République et l'islam van Jeanne-Hélène Kaltenbach en Michèle Tribalat (beiden betrokken bij de `Haute Conseil de l'intégration, het adviesorgaan voor integratie van de Franse regering) blijkt dat leer en leven nogal eens verschillen. Dat is de reden waarom zij zich bezorgd tonen over de toekomst van de seculiere traditie in Frankrijk, die naar hun inzicht langzaam ondermijnd wordt door tal van concessies aan de moslimgemeenschappen van hun land.

Om hun zorgen inzichtelijk te maken besteden ze veel ruimte aan de oorsprong van de Franse seculiere traditie de zogenaamde laicité in de strijd tegen de katholieke kerk van de negentiende en begin twintigste eeuw. Terwijl in Duitsland de scheiding van kerk en staat niet ten volle is doorgevoerd, is deze in Frankrijk juist rigoureus. De wetgeving van 1905, die een einde maakte aan het Concordaat met de rooms-katholieke kerk, laat geen enkele ruimte aan de staat om zich in het religieuze leven van de burgers te mengen. Het omgekeerde is evenzeer waar: de religie is verbannen uit publieke instituties, zoals het openbaar onderwijs. De Franse parlementariërs die vóór deze wet stemden werden door de paus geëxcommuniceerd.

Kaltenbach en Tribalat menen dat de verbanning van de katholieke kerk naar de privé-sfeer zo goed is gelukt, dat de traditie van de laicité in Frankrijk is vervaagd en daarmee de waakzaamheid verzwakt tegen de vergelijkbare pretenties van de islam, die aanspraak maakt op de openbare ruimte. Dat blijkt onder meer uit de houding van veel gemeentebesturen die moskeeën subsidiëren (wat volgens de Franse wet uitdrukkelijk niet mag), mede uit angst dat anders Saoedisch geld en invloed daarbij zullen gaan overheersen. Dat pragmatische argument overtuigt de auteurs allerminst: overheidssteun betekent echt niet dat het geld uit het Midden-Oosten opeens ophoudt te komen.

Uit alles wat ze schrijven naar aanleiding van de kwestie of het dragen van hoofddoekjes op de openbare scholen moet worden toegestaan (waar ze zeer op tegen zijn) blijkt dat hun idee van neutraliteit een ideële lading heeft, net als Tibis opvatting van pluralisme. Ze vinden dat scholen een uitgesproken doelstelling moeten hebben, die de manifestatie van religieuze en etnische identiteit aan banden legt: `Als de gewetensvrijheid niet meer het doel is dat de scholen dankzij het seculiere beginsel willen bevorderen, dan is het nauwelijks meer duidelijk waarin de emancipatoire doelstelling van de school nog wèl zou kunnen bestaan.'

De Franse auteurs maken zich ook zorgen over de weerbaarheid tegenover wat ze een `communitaristische ontsporing' noemen, het opeisen van specifieke groepsrechten voor moslims. Ze citeren herhaaldelijk religieuze leiders, zoals die van de moskee in Lille-Sud, Amar Lasfar, die zei: `We kunnen een islamitische gemeenschap vormen die steunt op de wetten die we delen met de Republiek en verder zijn onze eigen wetten van toepassing op onze gemeenschap.' Ze zien daarin tekenen van een islam die gelijkberechtiging opeist, maar tegelijkertijd een uitzonderingspositie zoekt. Tegenover een islam die zichzelf ziet als vervolmaking van de twee andere grote monotheïstische godsdiensten, en die zich daarmee nadrukkelijk boven die religies plaatst, bepleiten zij een meer zelfbewuste verdediging van de seculiere tradities. Het lijkt erop dat ze bij de nieuwe Franse regering meer gehoor hebben gevonden.

Het boek van Philip Lewis, Islamic Britain, onderscheidt zich van de andere hier besproken studies. Lewis, specialist in vergelijkend onderzoek naar godsdiensten, volgt de opkomst van de moslimgemeenschap in Bradford met gevoel voor detail en met veel sympathie. Hij schetst de zeer uiteenlopende tradities binnen de islam in Zuidoost-Azië en laat zien hoe deze vanaf de jaren vijftig in deze stad zijn beland met de komst van de eerste migranten.

Bradfords moslims werden nationaal nieuws tijdens de Rushdie-affaire toen, na een besluit van de plaatselijke `Council for Mosques', op 14 januari 1989 diens omstreden roman The Satanic Verses publiekelijk werd verbrand. Lewis laat goed zien hoe het aanvankelijke verzoek van moslims aan de Britse premier om het boek te verbieden, geheel bepaald werd door wetten en gebruiken uit de landen van herkomst. Ook beschrijft hij dat de islam in Zuidoost-Azië meer dan elders wordt gekenmerkt door verering van de Profeet, hetgeen de woedende reactie van de Pakistaanse moslims volgens Lewis inzichtelijker maakt.

Maar ook deze invoelende waarnemer lijkt bevangen door ontnuchtering. De eerste editie van zijn boek verscheen al in 1994, maar in deze nieuwe druk kijkt hij terug op de recentere rellen van zomer 2001 en natuurlijk ook op de gevolgen van de aanslagen in New York niet lang daarna. De schok dat Britse moslimjongeren in Afghanistan met de Talibaan vochten en meer in het algemeen de wijdverbreide sympathie voor Bin Laden, hebben geleid tot een herwaardering van het denken over integratie, waaraan ook Lewis zich niet wil onttrekken.

Zo ziet hij toenemende segregatie in Bradford, waar in 1991 zo'n vijftigduizend moslism leefden, een aantal dat in 2020 driemaal zo hoog zal zijn. Het ontstaan van `moslimwijken' beziet hij met gemengde gevoelens: `Ruimtelijke segregatie leidt niet per se tot sociale segregatie. Maar aanzienlijke aantallen traditionele moslims hebben normen die een socialisatie volgens Britse normen problematisch maken.' Hij benadrukt dat deze segregatie het probleem alleen maar groter maakt voor een religie die geen ervaring heeft een minderheid te zijn.

Tegelijk ziet Lewis ook wel de opkomst van een middenklasse van migranten en moslims, die nog afwezig was bij de botsing over Rushdie's roman en die ook nog onzichtbaar was tijdens de eerste Golfoorlog van 1991. Dat is een goed teken, al weet hij niet zeker of die welbespraakte, goed opgeleide en jonge professionals zich wél meer onderdeel zullen voelen van de Britse samenleving. `In weerwil van de werkelijke winst die Britse moslims hebben geboekt met het doordringen en beïnvloeden van het maatschappelijk leven, blijven veel moslims zich moreel afzetten tegen de Britse samenleving.'

Uit deze studies kunnen we opmaken dat de stelling over de mislukte integratie van nieuwkomers ook buiten de Nederlandse grenzen druk wordt besproken. Overal zien we een vergelijkbaar pleidooi voor een zelfbewustere omgang met de democratische tradities van het eigen land. De kwetsbaarheid van een open samenleving in tijden van omvangrijke migratie wordt veel beter gezien dan voorheen.

Vooral in Groot-Brittannië is men teruggekomen op het multiculturalisme als uitgangspunt van regeringsbeleid. De ontnuchtering na de rellen in de zomer van 2001 in steden als Bradford is aanmerkelijk. In het rapport Community cohesion wordt het uit elkaar groeien van de verschillende gemeenschappen gesignaleerd en wordt als antwoord gesuggereerd dat `de rechten en meer in het bijzonder de verantwoordelijkheden van het burgerschap met meer helderheid moeten worden bepaald. Deze moeten worden geformaliseerd in een soort van loyaliteitsverklaring'. De Britse regering heeft plannen ontvouwd voor een burgerschapstest, een examen voor migranten die de Britse nationaliteit willen verwerven. Bovendien moet het staatsburgerschap ceremonieel worden bekrachtigd.

Ook aan de andere kant van het Kanaal staat het denken niet stil. In Frankrijk heeft minister van onderwijs Luc Ferry richtlijnen uitgevaardigd om de etnische conflicten binnen de scholen in te dammen. Tegelijk is er een commissie ingesteld die de problematiek van de hoofddoekjes opnieuw moet wegen.In Duitsland wordt volop nagedacht over inburgering in samenhang met nieuwe wetgeving over arbeidsmigratie.

Deze wending naar burgerschap vindt plaats terwijl demografische prognoses laten zien dat in verschillende grote Europese steden de oude meerderheid over tien jaar een minderheid zal zijn geworden. Steden als Rotterdam, Antwerpen en Marseille zijn in menig opzicht ontwricht geraakt; de recente roep om gedwongen spreiding is een symptoom van een dieperliggende crisis. Het treurige is dat jarenlange achteloosheid nu een samenleving heeft opgeleverd waarin de tolerantie zeer onder druk is komen te staan en de verkramptheid bij de bestuurders voelbaar is.

Of dwars door etnische scheidslijnen in deze steden een nieuwe meerderheid tot stand komt die zich verantwoordelijk voelt voor de openbare ruimte, is dan ook lang niet zeker. Dat maakt een algemener tekort zichtbaar: in de moderne westerse samenlevingen, waar individuele vrijheid en ontplooiing lang alle nadruk kregen, is het besef van onderlinge afhankelijkheid niet onderhouden. Het afscheid van diversiteit als dogma en de zoektocht naar burgerschap vormen daar een antwoord op. Een onvolkomen antwoord, maar meer is er op dit moment niet voorhanden.

Christian Joppke en Ewa Morawska: Toward assimilation and citizenship. Immigrants in liberal nation-states. Palgrave MacMillan. 243 blz, €83,31

Jeanne-Hélène Kaltenbach & Michele Tribalat: La Republique et l'islam. Entre crainte et aveuglement. Gallimard. 338 blz, €25,18

Philip Lewis: Islamic Britain. Religion, Politics and Identity among British Muslims. I.B. Tauris. 266 blz, €17,50 (pbk.)

Bassam Tibi: Islamische Zuwanderung. Die gescheiterte Integration. 380 blz. €24,90