Dit is mijn dag

Iedereen moet het kennen, lijkt me: de levensechte droom. En ook de verwarring bij het plots ontwaken uit zo'n droom. Het is als in een bioscoop: zal de hoofdfilm na een korte pauze gewoon weer verder draaien of stopt nu de voorstelling? Er mag dan een door velen gedeelde opvatting bestaan over wat werkelijkheid is en wat droom, maar iedereen die wel eens met bonkend hart rechtop in bed in de duistere nacht heeft zitten staren weet hoe relatief die begrippen zijn. Waar ben ik? En ook: wat is waar? Misschien is wat wij droom noemen wel de echte werkelijkheid en wat wij verstaan onder het leven van alledag alleen maar een droom die in die andere werkelijkheid gedroomd wordt.

Deze twijfel zou wel eens net zo oud kunnen zijn als de mens zelf. Neem bijvoorbeeld de vlinderdroom van Tsjwang Tse, Chinees denker uit de vierde eeuw voor Christus. Ook bij hem vinden we de oerverwondering van de juist ontwaakte dromer. Hij vertelt over die verwarrende nacht waarin hij droomde dat hij een vlinder was, vrolijk fladderend door de lucht, tevreden met zichzelf en zijn leven en niet beter wetend dan dat hij altijd al een vlinder geweest was. Totdat hij plotseling wakker werd en het langzaam weer tot hem begon door te dringen dat hijzelf Tsjwang was. Hoe nu? Vierentwintig eeuwen geleden werd de klassieke dromersvraag al gesteld: was hij nu Tsjwang Tse die had gedroomd dat hij een vlinder was of een vlinder die gedroomd had dat hij Tsjwang Tse was?

Het is mooi dat zoiets bij uitstek vluchtigs als een droom bewaard kan blijven en zelfs eeuwen later nog weer kan opduiken. In een gedicht van Li Bo (ook wel: Li Po, Li Bai, Li Tai Po, Li Taibai, 701-762 na Chr.) komt de vlinder van Tsjwang Tse weer te voorschijn: `Tsjwang Tse droomde dat hij een vlinder was,/ die vlinder werd Tsjwang Tse' zo begint het korte, tienregelige gedicht. Li Bo ziet er vooral een bewijs in voor de veranderlijkheid van alle dingen. Ik citeer de zakelijke vertaling van Willy vande Walle en Mon Nys: `Als één lichaam zo van gedaante kan verwisselen,/ hoe moet dan niet alles eindeloos veranderen!' Daarna volgen nog twee voorbeelden van snelle verandering en vergankelijkheid. Een zee kan zomaar droogvallen, een markies kan heel snel weer een brave meloenenkweker zijn: `Dan verstaan we ook hoe de zeeën rondom Penglai/ weer een helder, ondiep beekje kunnen worden,/ hoe de man die bij de Groene Poort meloenen plant/ vroeger nog markies van Dongling was.' Dus, zo concludeert Li Bo, met zijn romantische en ook wat melancholische inslag: wat heeft het dan allemaal voor zin? `Als geld en aanzien toch zo vluchtig zijn,/ waarom hoeven we ons dan uit te sloven?'

Eén vlinderslag boven de bergen van China kan binnen twee weken aan de andere kant van de wereld een orkaan veroorzaken, zo neemt men in de meteorologie en in de chaostheorie aan. Dat is het zogenaamde vlindereffect. In de poëzie zijn de gevolgen iets minder spectaculair. Een paar regels van Tsjwang Tse over een ooit gedroomd vlinderbestaan kunnen na ruim duizend jaar een dichter in China aanraken, en na nog eens meer dan duizend jaar een kleine vlinderversstorm veroorzaken in het verre Nederland. `Maar als je droomt dat je een vlinder bent,/ kun je evengoed een vlinder zijn/ die droomde dat hij mens was' zegt Ingmar Heytze in het gedicht `Projectie', in zijn jongste bundel Het ging over rozen. Op hetzelfde moment verschijnt Tsjwang Tse met zijn droom in een gedicht van Menno Wigman, te vinden op diens website. Wigman begint met te vertellen dat hij op een ochtend niet op de gebruikelijke manier wakker werd. Hij ontwaakte niet uit een droom, maar curieus genoeg in een droom. `Vanochtend werd ik wakker in een droom/ van iemand die een huid van vlees bewoont.' Dat betekent vermoedelijk dat hij wel gewoon wakker werd, maar meteen het gevoel had in een nare droom beland te zijn. Hij is iemand geworden die niet een huis maar een huid bewoont, en bovendien geen gewone huid, maar een huid van vlees. De eerste suggestie lijkt mij: afstand, vervreemding, rare gewaarwordingen, het gevoel opgesloten te zitten in een vreemd lichaam.

De situatie doet denken aan die van Gregor Samsa in Kafkas Die Verwandlung, die zichzelf op een ochtend bij het ontwaken veranderd zag in een reusachtig insect – en tot zijn afgrijzen niet meer uit dat lichaam weg kon. Zo gaat Wigman verder: `Ik kon niet vluchten, ik was geen Tsjwang Tse/ die had gedroomd dat hij een vlinder was/ en zich bij ochtendlicht afvroeg of hij,/ Tsjwang Tse, gedroomd had een vlinder te zijn/ of dat de vlinder droomde als Tsjwang Tse/ te ontwaken.' In zulke vrolijke omstandigheden, waarin gemakkelijk van rol gewisseld kan worden, bevond Wigman zich niet. `Nee, ik was een mens' merkt hij somber op. Het klinkt alsof dat nog veel erger is dan jezelf onder de eigen dekens terug te vinden in de vorm van een glimmende reuzentor met voelsprieten en rugpantser en een bruine buik met stijve boogstukken. `Nee, ik was een mens,/ een taai skelet met tweeëndertig tanden,/ twee handen en een tragisch intellect/ dat met een angst voor klokken was behept.' De beschrijving zou ons vertrouwd moeten voorkomen, maar het klinkt alsof het hier over een onbekend en onhandig groot beest gaat.

Even lijkt het gedicht nog een licht ironisch portret te kunnen worden van de moderne mens met zijn wekkerhaat, net ontwaakt en met lodderige slaapoogjes kijkend naar het gillende apparaat, zonder zin om op te staan – maar daarvoor klinkt de rest toch te zwaar en te onheilspellend. Als een log beest zet deze dichter, die zichzelf net in een mens heeft aangetroffen, zich dan maar in beweging: `Maar langzaam, bijna heilig, stond ik op,/ gaf mijn gezicht een hand en ritste mijn/ gedachten dicht.' Opmerkelijk is het woord `heilig': ernstig, verheven, als een volledig in gedachten verzonkene, op het hoogste punt van vergeestelijking? Het is bijna alsof hij een mensenpak aantrekt, met een mensenhoofdmasker erop. Erin stappen, de zaak dichtritsen en de dag kan beginnen. `Dit is mijn dag, wist ik.' Het klinkt zowaar populair en kwiek. Hier bevindt iemand zich alsnog op het punt van beginnen, klaar om naar buiten te gaan, het volle licht in: `Hier lonkt een spiegel naar verwonderd licht./ Daar breekt een vlinder uit. En dat ben ik.'

Zo eindigt het gedicht. Ik moet bekennen dat het mij hier begint te duizelen, met die spiegel en die zich uit de cocon losmakende vlinder waarin de dichter dan weer zichzelf ziet. Verschillende lezingen zijn mogelijk. Ik zie er een groet in, over vele eeuwen heen, aan Tsjwang Tse en Li Bo. En ook wel een levensgevoel: vervreemd, onzeker, levend met verschillende mogelijke identiteiten. En een dichterlijk programma: ik treed nu wel naar buiten, maar denk maar niet dat je daarmee mijn ware ik te zien krijgt; dat is op hetzelfde moment uitgetreden en wiekt nu onbekommerd boven onze hoofden rond. Er klinkt bevrijding door in dat beeld: fladdervlinder, vrij zwevende geest. Maar tegelijk kan in een vlinder die denkt `Dit is mijn dag' zich ook al het einde aandienen. Tsjwang Tse dacht: alles is veranderlijk. Li Bo: alle inspanning is nutteloos. Wigman: wij zijn maar eendagsvlinders.