Der Papa

Joop van den Ende is de nieuwe uitbater van het legendarische Berlijnse Theater des Westens. Het is zijn negende podium in Duitsland.

Het is een curieus gebouw. Neoclassicistisch paleis van voren, middeleeuwse burcht van achteren. Witte zuilen, beelden en hoge ramen aan de straatkant. Bruine kantelen, schietgaten en torentjes achterom. Een tweekoppige kolos, ingeklemd tussen bioscoop Delphi, jazzclub Quasimodo en een groezelige spoorbrug, vlak achter Bahnhof Zoo.

Gebouwd werd het Theater des Westens in 1895. In een tijd dat de beschaving in Berlijn ophield aan Zoölogischer Garten en de huidige wijk Charlottenburg slechts een voorstad was. Een boomtown in het zand, aan de westelijke rand van de metropool. Bouwheer en architect Bernhard Sehring wilde opvallen. Zijn nieuwe theater moest concurreren met de pracht en praal van de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche. Daarom bouwde hij een protserig paleis voor het publiek en een trotse burcht voor de artiesten.

Honderd jaar later prijkt Sehrings naam nog steeds op de gevel en is zijn theater omgeven door een aura. Callas en Caruso stonden er op de planken. Evenals Josephine Baker. Ute Lemper beleefde er haar grootste triomfen en, in Der Blauwe Engel, haar grootste afgang. De komiek Willy Millowitsch speelde er samen met Brigitte Mira. Freddy Quinn was er. Vico Torriani. En natuurlijk Marlene Dietrich.

Het Theater des Westens is het oudste musicaltheater van Duitsland. Revue, cabaret en operette waren er altijd al thuis. Met My Fair Lady beleefde de moderne musical er de doorbraak op de Duitse markt. Elk aanstormend musicaltalent droomt sindsdien van optreden in het `TdW'.

Het theater golfde mee op de ups en downs van de stad. In 1924 wegens de gierende inflatie gesloten, in 1933 overgenomen door de nazi's, in 1944 viel het doek opnieuw onder druk van oprukkend oorlogsgeweld. Daarna zaten vooral Trümmerfrauen (puinruimsters) in de zaal, later de society van West-Berlijn. Nu is Berlijn weer één, maar ook failliet, en kan de stad de last van drie opera's en tientallen theaters niet meer dragen.

Toch is het vanavond weer `opening night' aan de Kantstrasse. Schijnwerpers zullen de net gereinigde gevel van het paleis laten stralen. Smokings zullen over de rode loper schuifelen. De culturele toplaag van de Duitse hoofdstad zal er weer keuren en smiespelen. Onder nieuwe kroonluchters. Gespreksstof genoeg. Een Nederlander met geld en een tik voor theater heeft het erfstuk gepacht van het armlastige stadsbestuur. Nota bene een man met een passie voor musicals – dat genre waarover ook de Duitse kunstcritici het maar niet eens worden: is het cultuur of `klassiek voor armelui'. Is ons fameuze theater bij die buitenlander wel in goede handen?

,,De hele culturele elite volgt nauwlettend wat we hier doen'', zegt Van den Endens man in het TdW, directeur Tom Lüdicke. ,,Wat hebben we met het honderd jaar oude gebouw uitgespookt? Wat doet een ondernemer met cultureel erfgoed dat tot voor kort zwaar gesubsidieerd werd?'' De lat ligt hoog, weet Lüdicke. ,,Als de eerste show flopt, krijg ik dit theater nooit meer van de grond.''

Deze zomer kreeg het TdW een facelift. In een noodgang. Lüdicke had maar een paar weken om de heldere zaal om te toveren in een donkerrode cocon waar niets afleidt van de voorstelling. De plafondschildering moest wijken. De stoelen werden dichter bij elkaar geplaatst: 300 zitplaatsen extra. Nieuwe techniek, nieuwe bars, nieuw tapijt – ook rood. De bruine lambrisering verdween uit de gangen. Aan de hagelwitte muren hangt nu figuratieve moderne kunst uit de privé-collectie van Van den Ende. In de grote foyer op de eerste verdieping, waar de Kaisertreppe op uitkomt, schitteren drie immense luchters. Ideetje van Joop. Drie weken geleden was het theater nog een bouwput. ,,Slapen'', zei Lüdicke toen laconiek, ,,slapen is iets voor lafaards.''

Lüdicke is opgelucht dat hij mag openen met een stuk dat in de hele wereld een succes werd, maar in Berlijn nog niet te zien was: Les Misérables. Lüdicke: ,,Een nieuwe productie heeft vijftig procent kans op succes. Dat risico kunnen we ons hier niet veroorloven.''

Lastig

Berlijn is een moeilijke markt voor musicals. Sinds midden jaren tachtig zijn de helft van alle stukken er mislukt. Het publiek is verwend. In het seizoen is er elke avond de keuze uit meer dan honderd theatervoorstellingen. En Berlijners zijn lastig. Van nature. Lüdicke: ,,In München en Hamburg komen mensen naar buiten en zeggen: `O, dat was best aardig.' In Berlijn niet. Het is óf: `Mein Gott, Scheisse!' Of: `Grossartig!' Daarom is een nieuw stuk hier zo gevaarlijk. Je weet het nooit: top of flop.''

Ook Joop van den Ende ziet de avond met spanning tegemoet. ,,Ik ben voor elke opening night zenuwachtig, maar Berlijn is nu eenmaal een musical-begraafplaats'', zegt hij als hij een week voor de opening in het TdW poolshoogte neemt. ,,In deze stad praat men wel over theater, maar men gaat er niet naartoe.''

De keuze voor Les Misérables was niet uitsluitend defensief, zegt hij. Een jaar geleden werd het gezin Van den Ende een dagje in Berlijn rondgeleid. ,,Het was zo negatief. Ik dacht: deze stad is Pleite. Ik hoorde alleen: bezuinigen, bezuinigen, bezuinigen. Hier openen geen theaters, hier sluiten theaters. De mensen geven geen geld uit, zei iedereen. En ik had net twee theaters verworven! De grote droom van Berlijn is voorbij. Deze stad heeft nieuwe energie nodig.''

Eerst overwoog Van den Ende het neerslachtige Berlijn te onthalen op een stuk met een grote lach. Maar dat was te eenvoudig. Het werd Les Misérables, de klassieker van de Britse producent sir Cameron Mackintosh, met Duitse acteurs deze keer en een Gavroche die `Berlinert', het plaatselijke dialect spreekt. Tijdens de try-out voor de pers riep leading lady Vera Bolten (Eponine) de recensenten op in te haken en mee te deinen. Ze vond geen gehoor.

,,Het moest iets strijdbaars worden'', zegt Van den Ende. ,,Theater moet iets betekenen.'' De Franse revolutionairen uit het boek van Victor Hugo moeten Berlijn een hart onder de riem steken. ,,Het stuk zegt: alles kan, hoe zwaar het leven ook is.''

Voor Van den Ende is `Les Mis', zoals hij het zegt, de moeder van het genre. ,,Als dit hier niet werkt dan heb ik een probleem, dan werken een heleboel andere dingen hier ook niet.'' De voorverkoop suggereert dat Van den Ende ook in Berlijn op zijn befaamde intuïtie voor de wensen van een groot publiek kan vertrouwen. En op zijn talent voor marketing en free publicity. Een week voor de opening waren 70.000 kaartjes verkocht.

Het TdW is het tweede theater van Joop van den Ende in Berlijn. Eerder lijfde hij al het moderne Theater am Potsdamer Platz in. Het is zijn negende podium in Duitsland. In tweeënhalf jaar is Van den Ende uitgegroeid tot verreweg de grootse aanbieder van musicals op de Duitse markt. Zijn in Amsterdam gevestigde onderneming Stage Holding maakt iets minder dan de helft van de 650 miljoen euro omzet in Duitsland. En Van den Ende is hier nog lang niet klaar.

Twee nieuwe huizen staan alweer op de rol. Een in het Roergebied. Een in Beieren. De gemeente München was ter ore gekomen dat de drie theaters van Van den Ende in Hamburg jaarlijks 1,2 miljoen toeristen de stad binnenbrengen. Dat leek het stadsbestuur in München ook wel wat en het vroeg om een gesprek. Inmiddels wordt onderhandeld over de verbouwing van een monument in het Olympiapark.

In Duitsland volgt Van den Ende het in Scheveningen ontwikkelde en beproefde concept: musicals van kwaliteit in een mooi theater waar het personeel altijd lacht en de gast nooit op zijn drankje wacht. ,,De gast moet zich uit voelen'', zegt Van den Ende. Een formule die hij overnam van bioscoopexploitant Abraham Tuschinski. ,,Geen kale plekken in het tapijt, dat haat ik.''

De formule sluit goed aan op Duitse wensen. Van den Ende: ,,De mensen staan hier in de pauzes anders met hun glas. Ze hebben een andere houding. Ze hebben meer rust. Ze hebben de overtuiging dat ze goed zijn. Nederlanders zullen dat nooit begrijpen: als je geboren bent in een groot land denk je anders. Uitgaan is hier veel belangrijker dan bij ons. Mensen gaan veel beter gekleed. In de Duitse theaters wordt twee keer zoveel besteed als in de Nederlandse. Men eet zalm, drinkt champagne.''

Duitsers gedragen zich niet alleen in de foyer anders dan Nederlanders. In de zaal reageren ze ook anders op een show. Terwijl in Berlijn deze week de laatste hand werd gelegd aan Les Misérables, begonnen in het Apollo Theater in Stuttgart de voorbereidingen voor 42nd Street, dat eind november in première gaat in een regie van Eddy Habbema. ,,Het Duitse publiek houdt zijn oordeel voor zich tot het laatst'', zegt Habbema. ,,Nederlanders reageren gemakkelijker tussendoor. Een Duitse zaal komt vaak pas aan het slot tot ontlading.'' Tijdens het stuk luisteren de Duitsers beter naar de teksten. Concentratie en interesse zijn hoger. ,,Je kunt een Duits publiek op een extra niveau aanspreken, het is meer intellectueel ingesteld. Cultuur is hier belangrijker, het is onderdeel van je zelfrespect.''

Teder gevaar

Tijdens de repetitie die middag gaat het er licht anarchistisch aan toe. Habbema danst tussen de acteurs door die nog aan hun rol moeten wennen en de teksten nog oplezen. Het is de eerste dag. De regisseur heeft de leiding, maar de acteurs zoeken ook zelf naar houding en gebaren die bij de scène passen. Een vrouw tikt haar minnaar spontaan met de wijsvinger op de neus. Een teder gebaar, dat tegelijk duidelijk maakt wie hier de baas is. Die vondst blijft erin.

Habbema probeert tijdens de repetities niet al te dominant te zijn. Hij begeleidt de groep naar de première, dan neemt een vervanger het over. ,,Het is niet de bedoeling dat ze dan pas gaan denken.'' Als Habbema allang weer verder getrokken is naar een volgend Van den Ende-project, draait `zijn' 42nd Street in Stuttgart nog maandenlang, acht voorstellingen per week. ,,In Duitsland kun je er blind op vertrouwen dat het zo blijft als je het hebt achtergelaten. De discipline is veel groter. In Nederland luwt op den duur de discipline, loopt het een beetje weg.''

Ook voor Van den Ende is de veel gesmade Duitse Gründlichkeit een plus. ,,Mensen in het Duitse theater werken heel precies. In ons vak is het belangrijk je elke avond volledig te geven, te doen wat de regisseur zegt. Niet gaan freewheelen. Dat trekt me aan in Duitsland.''

Van den Ende verovert de Duitse steden in hoog tempo, maar niet zonder slag of stoot. De opmars begon in Essen met de musical Elisabeth. In een theater gevestigd in een oude fabriekshal van Krupp, dat bij het publiek uit de gratie was. Van den Ende stapte naar het machtige regionale krantenconcern WAZ en appelleerde aan regionaal chauvinisme. ,,Ik wil investeren, ik wil dat mensen weer trots worden op dat gebouw. Het mooiste theater van het Roergebied. Wil je me helpen? Dat vonden ze leuk.'' Toch wilde de kaartverkoop maar niet van de grond komen. ,,Tien tickets per dag, het ging voor geen meter.'' Totdat hij een kerstgroet rondstuurde met muziek uit de musical. ,,Het werd de meest succesvolle Duitstalige show ever.''

In Berlijn had Van den Ende eigenlijk grootse plannen met een ander theater, het Metropol aan de Friedrichstrasse. Hij kocht het gammele gebouw van de gemeente voor een symbolisch bedrag en de belofte tot een maximum van 40 miljoen euro te investeren. Zou het duurder worden dan mocht hij er weer uitstappen. Toen hij van die optie gebruik maakte, was de stad te klein. Lüdicke: ,,Wij kregen het verwijt dat we een theater kapot hadden gemaakt. Ik werd er gek van. `Het is uw schuld', zei men. Mensen tellen podia. Sluiten is uit den boze. Ook als er geen geld is of geen concept.'' Al snel ging het verhaal dat Van den Ende het Metropol liet vallen om krachten te sparen voor het veel aantrekkelijker TdW. Lüdicke ontkent die lezing.

De grote kans op de Duitse markt deed zich voor toen concurrent Stella in moeilijkheden raakte. Van den Ende had al jaren om het bedrijf heen gecirkeld. Een fusie ketste af. Later kaapte de Duitse amusementsreus Deag het bedrijf voor zijn neus weg. Wel wist Van den Ende personeel los te weken van Stella. Uiteindelijk ging het bedrijf toch failliet en hapte Van den Ende toe. Vijf theaters in één keer. ,,Hier was geen concurrentie, hier was oorlog'', zei Deag-directeur Peter Schwenkow later tegen de Berliner Zeitung. ,,De oorlog van Joop van den Ende.''

In korte tijd verwierf Van den Ende niet alleen Duitse theaters, maar ook 3.000 man personeel. De bedrijfscultuur beviel hem geenszins. ,,Wat de rol van vakbonden en ondernemingsraden betreft is het hier een tikkeltje te ver doorgeslagen. Het zal Duitsland in de toekomst opbreken als dat niet verandert.'' Toch heeft hij begrip voor de bonden. De omgang van werkgevers met werknemers noemt hij `feodaal'. ,,Als je ziet hoe hard bedrijven tegen de vakbond aangaan, hoe groot de afstand is tussen werkgever en werknemers. Dat wil ik niet.'' In de theaters die hij overnam liepen bijna 100 arbeidszaken. ,,Ik schrok me te pletter. Je gaat toch geen rechtszaken voeren! Ik heb tegen mijn mensen gezegd: speel niet de klassieke Duitse bedrijfscultuur waar de baas op kantoor zit en iedereen doet wat de baas zegt. Niet arrogant zijn! In het begin keken ze me een beetje vreemd aan.'' Inmiddels hebben de Duitse managers de filosofie te pakken. Stage Holding is één grote theaterfamilie, zegt Lüdicke. ,,En Joop is der Papa.''

Voorbij

Toen Rudi Carrell in de krant las dat Van den Ende in Duitsland wilde investeren belde hij zijn vriend onmiddellijk op: Joop niet doen. De musical in Duitsland is kapot. Dat is voorbij.

Het was ook voorbij, zegt Van den Ende. Maar niet omdat er geen vraag was, maar omdat het in handen was gevallen van de verkeerde mensen. ,,Mensen die het alleen om het geld deden. Als je geld wilt verdienen moet je op de markt onderbroeken verkopen, niet in theater gaan. Theater, daar moet je Begeisterung voor hebben.''

Omdat winst boven alles ging, werd de musical in de jaren negentig in Duitsland uitgemolken. In Stuttgart bijvoorbeeld zette een projectontwikkelaar halverwege vliegveld en binnenstad een tamelijk lelijk uitgaanscentrum neer met twee musicaltheaters. De shows moesten de kosten van de bouw terugverdienen. Gevolg: er werd niet geïnvesteerd. Niet in eigen Duitse producties en niet in Duitse sterren. Stukken en solisten werden uit het buitenland gehaald. Duitsland heeft daarom maar één échte musicalster: Uwe Kröger. Die, inderdaad, een van de hoofdrollen speelt in Les Misérables.

Wat er nu in Duitsland moet gebeuren is niet zo gecompliceerd, zegt Habbema. Er is behoefte aan musicals, er zijn theaters. Nu moet geïnvesteerd worden in kwaliteit, opleiding en eigen producties. Onlangs ging in Hamburg de Van den Ende Academy voor jong talent van start. Aan een musical over de val van de Muur – Wind of Change – wordt gewerkt. De Scorpions hebben al twaalf nieuwe songs ingeleverd, maar het script is nog niet rijp. De opening night is vermoedelijk in Berlijn. ,,Maar dan zijn we een paar jaar en 10 miljoen euro verder'', zegt Van den Ende. Intussen bouwt hij rustig voort aan zijn internationale imperium. ,,De markt voor musicaltheater in Europa is onontgonnen.''