De ware aard van de Haarlemmer

De Schrijvers van de Ronde Tafel willen het historische jeugdboek nieuw leven inblazen. Er zijn onderwerpen te over.

Zit je net lekker gehurkt in de greppel, je tuniek opgeschort tot boven je middel, wordt er op de houten kloosterpoort geklopt en moet je open gaan doen. Zo begint het avontuur van de jonge monnik Ward uit Brugge in De ontvoerde prinses van Arend van Dam, een boekje in de nieuwe reeks `Toen... in de tijd van', van uitgeverij Zwijsen. Het is een onorthodox begin voor een historisch jeugdboek, een genre dat doorgaans geen ruimte biedt aan luchtige informatie zoals dit middeleeuwse `wc'-bezoek. Arend van Dam wil dat veranderen. Hij gaf zijn boekje niet alleen aan het begin, maar ook aan het eind een onverwachts humoristische draai.

Arend van Dam is een van de iniatiefnemers van de Schrijvers van de Ronde Tafel, een drie jaar geleden opgericht genootschap van historische jeugdboekenauteurs. Het genootschap, waarbij inmiddels twintig schrijvers zijn aangesloten, wil aandacht vragen voor het genre en tot een `verbreding' komen, bijvoorbeeld door elkaar te stimuleren ook voor andere leeftijdsgroepen dan `tien plus' te schrijven. Wie erbij wil, moet verhalen maken over de Nederlandse geschiedenis. Verder moeten aspirant-leden ten minste een à twee boeken op hun naam hebben staan.

De Schrijvers van de Ronde Tafel geven elkaar ook praktische tips. Ze wisselen namen uit van behulpzame archivarissen en archeologen. Arend van Dam kreeg zelfs een hoofdpersoon voor een toekomstig boek over het Muiderslot aangereikt door collega-Ronde Tafelschrijver en mede-iniatiefnemer Martine Letterie. Tijdens een signeersessie kwam er een jongetje aan haar tafel dat `Witte' heette. Naar de bastaardzoon van Floris de Vijfde, vertelde zijn vader desgevraagd. Letterie belde meteen Van Dam dat ze zijn gedroomde hoofdpersoon gevonden had.

De gezamenlijke inspanningen van de Schrijvers van de Ronde Tafel voor het historisch jeugdboek leidden tot de instelling van de Historisch Nieuwsblad-Bontekoeprijs – een jaarlijkse prijs voor het beste historische jeugdboek –, tot een serie boeken bij uitgeverij Zwijsen en tot een twee dagen durende ontmoeting tussen auteurs en publiek, vorig weekend in het Archeon in Alphen aan de Rijn.

Eerbetoon

Thea Beckman was er ook, in Alphen. De inmiddels tachtigjarige schrijfster is beschermvrouwe van het genootschap, naast Jan Terlouw, de beschermheer. Ze kon meteen de eerste Bontekoe-prijs in ontvangst nemen voor haar laatste boek Gekaapt. Niet alle Schrijvers van de Ronde Tafel waren het eens met de keuze van de onafhankelijke jury onder leiding van hoogleraar geschiedenis Piet de Rooij. Bies van Ede, een schrijver die zich in de afgelopen tien jaar heeft ontpopt als een soort chroniqueur van zijn woonplaats Haarlem, meent dat het genre sinds Beckman een revolutie heeft doorgemaakt. ,,Beckman liet bijvoorbeeld nog een verteller boven het verhaal hangen en met uitleg strooien, een verteller die duidt en verklaart – zo gaat het al lang niet meer. En zo moet het ook helemaal niet.'' Inderdaad maakt zowel de stijl als het verhaaltje van Gekaapt een fletse en verouderde indruk. De eerste Bontekoe-prijs lijkt vooral een eerbetoon aan een oude meesteres.

Van Ede zelf poogt in zijn boeken, zoals De meesterdief (2002) en het pas verschenen De mensenkenner, de geschiedenis tot leven te wekken door de ogen van zijn hoofdpersoon. ,,En dan is het Nieuwjaarsdag op 25 maart. Doodgewoon voor die jongen uit het midden van de zestiende eeuw. Dat kan ik niet gaan zitten verklaren.''

Van Ede wil vooral een spannend verhaal vertellen en maakt daarvoor soms wat rare sprongen. De hoofdpersoon uit zijn twee laatste boeken kan buiten zichzelf treden en ontdekt zo de ware aard van de Haarlemmers. Hij is in de leer bij een blinde bedelaar, die eigenlijk een verbitterd wijsgeer van adellijke afkomst is. Wie erin geloven kan, leest inderdaad twee spannende boeken.

Bij Van Ede volgt de research op het verzinnen, en niet andersom. Hij kijkt of het past, of het kan, vooral via internet. Andere auteurs, zoals Martine Letterie, is het vooral te doen om het `aankweken en overbrengen' van historisch besef, zij willen `de geschiedenis tot leven wekken'. Bij deze schrijvers beginnen de boeken met zoeken. Historische onderwerpen en personen liggen volgens hen te `smeken' om opgeraapt te worden.

De tien tijdvakken waarin het huidige geschiedenisonderwijs is opgedeeld, komen in de Zwijsenserie door verhalen tot leven. De eerste vijf boeken, van `jagers en boeren' (10.000-3000 voor Chr.) tot `ontdekkers en hervormers' (1500-1600 na Chr.) werden afgelopen weekend gepresenteerd in het Archeon. Ze zijn bestemd voor leerlingen uit groep zeven en acht van de basisschool. De volgende vijf, van `regenten en vorsten' (1600-1700) tot `televisie en computer' (1950-heden), komen in het voorjaar uit.

De uitgever stelde strikte eisen wat betreft de leeftijd van de hoofdpersoon (tussen de tien en twaalf), de stijl en de toegankelijkheid. Een uitdrukking als `genadebrood eten' kon niet, dat zou te moeilijk zijn, een uitroep als `sodeju' gold als vloek en kon dus ook niet, en een boer mocht geen `Hup, dames!' tegen zijn koeien roepen, want dat doen boeren niet...

Wie de vijf nu verschenen deeltjes leest, ziet meteen dat de revolutie die Van Ede – en hij niet alleen – in de ontwikkeling van het historisch jeugdboek ziet, nog lang niet voltrokken is. De vele valkuilen van het genre breken de auteurs nog geregeld op. Informatie en uitleg zit de vaart van de verhalen vaak in de weg. ,,De Romeinen hebben een groot en sterk leger'', zegt dan bijvoorbeeld een vader tegen zijn zoon. ,,(-) De Romeinen sluiten verbonden met vreemde stammen en pikken hun grondgebied in (-). De bezetting door de Romeinen heeft voordelen. Ze weten veel van regeren. De lastige dingen nemen ze over, maar de inheemse stamhoofden houden een deel van de macht.''

Helderziend

De personages in de nieuwe serie zijn ook niet steeds even geloofwaardig. Branda uit deel 1, De vlucht van Lodi, van Peter Smit, vertoont trekken van het typische Beckman-meisje. Al leeft ze aan de vooravond van de ontdekking van het brons, ze lijkt de Verlichting al achter de rug te hebben. Ze is eigengereid, initiatiefrijk en het nadrukkelijk oneens met haar vader. Net als Herman uit deel 2, Het jaar van de Bataafse opstand door Martine Letterie. Herman is de zoon van Julius Civilis. Hij komt in opstand tegen diens wrede praktijken.

Natuurlijk is het moeilijk, zowat onmogelijk zelfs, om het kind dat de hoofdpersoon is in een historisch jeugdboek, niet opstandig te laten zijn, want waar schuilt anders het drama? ,,Over dociele meisjes met een borduurwerkje voor het raam valt moeilijk een verhaal te vertellen'', stelde Arend van Dam in het Archeon. Letterie hield het erop dat `er vast altijd kinderen zijn geweest die wel in opstand kwamen'. Van Ede maakte zijn hoofdpersoon helderziend.

Er zijn voor schrijvers van historische jeugdboeken elegantere, subtielere oplossingen denkbaar. Het nog te verschijnen negende deel in de Zwijsenserie, Verboden vriendschap van Els Launspach (`de wereldoorlogen', 1900-1950), gaat over een meisje, Jo, dat in de eerste plaats jaloers is. Jaloers op haar zus, die in een naaiatelier werkt en van moeder alle lof krijgt voor haar pogingen iets aan het lot van meisjes als zijzelf te verbeteren. Zus Sani zit in het bestuur van de naaistersbond en werkt mee aan de oprichting van een eigen krant; zij is gemodelleerd naar een vrouw die echt bestaan heeft. Vanuit haar bed hoort Jo de verhitte conversaties aan en droomt ervan haar moeder ook eens zo te kunnen boeien. Launspach wil haar lezers iets meegeven over het ontstaan van de vakbonden, maar concentreert zich op de emotie van haar personage. Informatie verpakt ze intussen vrij handig in de handeling en in de dialogen.

Ook buiten de Zwijsenserie valt af en toe enige voorzichtige vernieuwing van het genre waar te nemen. Joyce Pool is een schrijfster die er vooral in haar tweede boek, Sisa (2002), in slaagt feit en fictie onnadrukkelijk te combineren tot een goed verhaal. Sisa kreeg in het Archeon de prijs van de kinderen uit Alphen aan de Rijn, die het boek verkozen boven Beckmans Gekaapt. Het is geschreven vanuit het perspectief van een blanke plantersdochter, Map, die opgroeit te midden van de slaven in Suriname, driehonderd jaar terug. Ook Pool blijft dicht bij de emotie van haar hoofdpersoon.

Vernieuwender nog is Floortje Zwigtman, die geen lid is van de Schrijvers van de Ronde Tafel. Haar debuut Spelregels uit 2001 speelt zich af in de Middeleeuwen. Het is geheel in de ik-persoon geschreven, beurtelings zijn dat het meisje Marjorie van de Witborg en de jongen Allard van Goudheuvel. Die twee zijn aan elkaar uitgehuwelijkt, maar zien elkaar niet zitten. Het is niet alleen die strikte ik-vorm die het boek zo bijzonder maakt, of Zwigtmans levendige stijl, ook komt het in Spelregels nou eens niet helemaal goed op het einde. Marjorie en Allard komen tot een soort verzoening met hun lot, maar ze gaan niet scheiden en worden niet alsnog verliefd.