De man als Zwitsers zakmes

`Ik ben geen onaantrekkelijke jongen, ik heb gevoel voor humor, op mijn werk vindt iedereen me aardig. Kijk hoe Julie naar me lacht. Waarom mijn eigen vrouw dan niet?' Dit is in een notendop het probleem waar de ik-persoon in Man van beroep, mee worstelt. Richard – nog net geen veertig – werkt als chef van de buitenlandredactie bij een krant, heeft twee kinderen en is getrouwd met een ambitieuze vrouw. Zijn leven lijkt soepeltjes te verlopen, maar niets is minder waar. Richard voelt zich namelijk tekort gedaan. Terwijl híj druk bezig is de perfecte werkende vader uit te hangen, heeft zíj alleen maar oog voor de kinderen, en vooral, voor haar eigen carrière. Richard komt op de laatste plaats en dat betekent: geen seks. In elk geval niet op een doordeweekse dag, hoogstens een keertje in het weekend. Want de hard werkende moeder is moe. Doodmoe. En de romantiek? Tja, die is verdwenen.

Man van beroep is het debuut van Hans Nijenhuis, chef buitenland bij NRC Handelsblad. Het boekje is een roman, maar met een autobiografische lading: Nijenhuis is, net als Richard, getrouwd met een carrièrevrouw en vader van twee kinderen. Het thema dat hij aansnijdt, strookt met de `papa-hype' die de laatste tijd door de media rolt. In een stroom boeken en interviews claimen moderne, werkende vaders het actieve vaderschap.

Prille traditie

Maar, in tegenstelling tot de meeste schrijvende vaders, heeft Nijenhuis zijn boekje gepresenteerd als fictie. Daarmee staat zijn boek in de prille traditie van de lad lit, het mannelijke equivalent van de chick lit voor jonge, werkende (en vaak juist alleenstaande en kinderloze) vrouwen. De afgelopen tien jaar is de boekenmarkt overspoeld met dit uit Engeland afkomstige genre, met als bekendste vertegenwoordigers Nick Hornby en Tony Parsons. Kort samengevat schrijven zij boeken vóór jongens en over jongens. En daarmee worden geen grofgebekte rauwdouwers bedoeld. Integendeel, het gaat over beschaafde, vriendelijke dertigers die op zoek zijn naar de zin van het leven.

Het resultaat is te omschrijven als `postmoderne bekentenislectuur'. De hoofdpersoon neemt zichzelf onder de loep en geeft de lezer een kijkje achter de schermen van zijn ogenschijnlijk zelfverzekerde persoonlijkheid. Daar zien we een heel ander soort man: vol onzekerheden, angsten en begiftigd met een flinke dosis zelfhaat. Want deze moderne man vindt dat er meer uit het leven en de liefde te halen moet zijn dan hij krijgt. Hij koestert dan ook wrok tegen alles en iedereen die zijn hang naar vervulling verstoort: echtgenotes, vriendinnen, de baas op het werk of andere mannen. En al dat leed verwoordt hij met lollige, spitsvondige teksten. Zo ook Nijenhuis. `De multifunctionele man, dat is waar deze tijd om vraagt. De man als Zwitsers zakmes. Maar helaas, ze zijn nog net als vroeger, vrees ik. Erg snel bot en maar goed voor één ding tegelijk.' Het zijn van die ironische opmerkingen vol zelfspot waar je slechts een beetje zuur om kan lachen.

Maar toch is er ook een een serieuze kant aan al dat herenleed. Want ondanks alle kwinkslagen schuilt er in de verhalen van Hornby en Parsons wel degelijk een moraal. Ze schrijven over dertigers die volwassen worden en langzamerhand de verantwoordelijkheden van het huwelijk en kinderen leren accepteren. Met name de hoofdpersoon in Parsons boeken realiseert zich dat aan de sociale en seksuele verworvenheden van de jaren zestig een prijskaartje hangt. Daarom strijdt hij als moderne ridder voor het behoud van familiewaarden.

Ook Richard levert een verwoed gevecht. Hij weet wat het gezinsleven inhoudt. Hij is een verantwoordelijk vader en attente echtgenoot die met liefde `wat gezelligs' inschenkt voor zijn vrouw, als die weer eens afgepeigerd op de bank ploft. Maar eenmaal in bed, en voor de zoveelste keer afgewezen, fantaseert Richard over de jonge stagiaire op het werk. Het is het begin van een tamelijk koeltjes beschreven overspelige relatie (niet met de stagiaire), die eindigt in relatietherapie, waarin Richard ook alweer zijn best doet en zijn vrouw hem afwijst.

Tegenvoeters

Man van beroep is een toegankelijk boek. Het leest als een trein en het is best geestig, maar dat is het dan ook wel. Want er is een belangrijk verschil met de manier waarop Nijenhuis en zijn tegenvoeters Hornby en Parsons over hun tobbende dertigers schrijven: zij willen niet alleen maar leuk zijn, of begrip voor zichzelf opwekken, ze ontroeren ook echt. Hun personages zitten boordevol gevoel en melancholie. Het zijn mannen van vlees en bloed, die laten merken dat de liefde ook pijn doet, en die hun kwetsbaarheid tonen. Daarvan is bij Nijenhuis niets te merken. Zo vervalt zijn verhaal tot een oeroud cliché: man wil seks, vrouw wil rust.

Nijenhuis raakt desondanks een gevoelig punt. Veel stellen vechten inderdaad over een eerlijke verdeling van werk, aandacht en vrije tijd. Een huwelijk met kinderen kan een soort permanente onderhandeling worden. Maar waarom praten Richard en zijn vrouw daar zo weinig over? En waarom doen ze niet eens iets geks, om de impasse te doorbreken? Koop een zweepje, zet een varkensmaskertje op. De personages zijn zo braaf, dat het als een totale verrassing komt als Richard opbiecht dat hij en zijn vrouw ooit droomden van een leven als hun favoriete schrijversduo: `Simone de Beauvoir en Jean-Paul Sartre, maar dan met kinderen.' Dus ze hadden ooit idealen? Waar zijn die dan gebleven? Kan je als moderne, ambitieuze ouders echt niet meer samenleven zonder elke schoonheid, diepgang en gekte overboord te gooien? Dat is toch, ondanks alle luchtigheid, wel een heel sombere conclusie.

Hans Nijenhuis: Man van beroep.

De Bezige Bij, 160 blz. €15,–