De Democratische ere-divisie haalt uit

Tien Democratische presidentskandidaten gingen gisteren met elkaar in debat. Het werd een vergelijkende stijloefening met het aanzien van Amerika als inzet.

Wesley Clark begon goed. ,,Ik heb iets geleerd van mijn negen dagen in de politiek: wees voorzichtig met het beantwoorden van hypothetische vragen.'' Hij leek het debat van de Tien Democraten die president willen worden in zijn zak te hebben. Maar zo liep het niet, gistermiddag in New York.

De oud-bevelhebber van de NAVO, die vorige week zijn kandidatuur voor het hoogste ambt in de Verenigde Staten bekend maakte, droeg zijn eerste litteken, opgelopen in de publieke arena, met enige vrolijkheid.

Daags na zijn autolancering veranderde hij twee keer van standpunt op de vraag of hij vóór of tegen de Oorlog in Irak zou hebben gestemd. Hij maakte dit jaar zijn politieke naam als generaal-tegen-de-oorlog. Als kersverse kandidaat zei hij vorige week: Ja, en de volgende dag: Nee. Gisteren biechtte hij vooral op dat hij net kwam kijken.

Die vuurdoop leidde tot blijvende voorzichtigheid in het twee uur durende debat van de Tien. Clark staat op een respectabele derde plaats in New Hampshire, de staat waar in januari de eerste Democratische voorverkiezing wordt gehouden. Howard Dean gaat daar volgens de laatste peiling op kop met 35 procent, gevolgd door John Kerry met 22 procent en Clark met 11 procent. Geen van de andere kandidaten haalt dubbele cijfers.

Het was dus een debat tegen Wesley en Howard. De aanval werd geopend door John Kerry, de man die het meest heeft te verliezen door het succes van de andere twee. Generaal Clark ontneemt Kerry zijn unieke verkoopargument als Vietnam-veteraan, de man die president Bush aankan op het gebied van de nationale veiligheid.

Dean, de voormalig gouverneur van Vermont, dreigt Kerry te beroven van de altijd belangrijke eerste primary-overwinning. Als senator uit het naburige Massachusetts zou Kerry New Hampshire moeten winnen.

,,Gouverneur Dean heeft absoluut ongelijk. En hij zit er naast met de feiten'', brandde Kerry los. Het verschil van mening ging over de vraag of de drie opeenvolgende belastingverlagingen van president Bush geheel of gedeeltelijk moeten worden teruggedraaid. De middenklasse heeft er toch niets van gezien, verzuchtte Dean. Volgens hem moeten alle verlagingen worden geschrapt, onder meer om een volksverzekering voor ziektekosten te bekostigen.

Kerry zei dat 48 miljoen Amerikanen dankzij de Bush-verlagingen 1000 tot 3000 dollar terugkregen. Edwards viel hem bij: dat geld had de economie op gang gehouden. De veel grotere verlagingen van de rijksten, die moeten worden teruggedraaid. Even later vlogen Dean (weg met de WTO en de vrijhandel) en Kerry (gematigde vrijhandel) elkaar weer in de haren.

De strak geleide uitwisseling van standpunten werd rondweg venijnig toen Gephardt en Kerry koploper Dean verweten in de jaren '90 met de omstreden Republikeinse leider Newt Gingrich te hebben gestreden tegen het Medicare programma. Het was een aanval die zij de laatste tijd op tournee vaker maken. Dean sloeg fel terug: hij was tegen de bureaucratische administratie, niet het programma zelf. Hij had er in Vermont meer voor gedaan dan wie ook.

Waarop Dean zich boven het gewoel verhief en opmerkte dat de vijand George W. Bush heet, en niet op dit podium in Manhattan stond. John Edwards, de zuidelijke `Kennedy', die verrassend achterblijft in de race tot nu toe, putte diep uit zijn wortels als zoon van een moeder-postbode en een vader-fabrieksarbeider. De strijd voor een beter lot van arme, werkende Amerikanen is zijn vaak beleden motivatie die verklaart ook zijn gisteren opnieuw uitgesproken afkeer van oorlogvoering binnen de partij.

De scherpe woorden keerden af en toe terug, maar de twee uur durende excercitie was toch vooral een vergelijkende stijloefening van tien kandidaten. Allemaal leken zij eredivisie-spelers, wellicht met uitzondering van Al Sharpton. Bij allen ging het programma over het herstel van Amerika's aanzien in de wereld en een rechtvaardiger samenleving op het eigen continent.

Joe Lieberman leek te voelen dat zijn haviksdefinitie van Amerika's overzeese belangen niet op een meerderheid kan rekenen. John Kerry bracht ernst en consistentie, maar hij vocht zichtbaar tegen de grotere emotionele talenten van dokter Howard Dean. En Wesley Clark? Hij was pas negen dagen in de politiek, of liever gezegd: acht dagen, zoals hij halverwege het debat zei. Maar ook hij noemde Bush `roekeloos', dus hij zit bij de goede partij.