Altijd trouw aan het pessimisme

James Burnham (1905-1987) vond dat Amerikanen niet naar zichzelf kunnen kijken. Ze zijn te veel in de ban van hun goede bedoelingen om te doorzien hoe hun idealisme zich verhoudt tot de werkelijkheid, inclusief de realiteit van hun eigen gedrag. Amerikanen opereren als apostelen van vrijheid en democratie, maar hebben geen oog voor hun tekortschietende vastberadenheid om ook bij tegenslagen de strijd voort te zetten. Hoe lang zal het nog duren voordat deze klacht van Burnham in het Irak van vandaag politieke actualiteitswaarde krijgt?

Zijn pessimistische analyse dateert van 1947, toen hij The Struggle for the World publiceerde. De Koude Oorlog moest nog op stoom komen en Burnham deed in dit boek een oproep aan de Amerikaanse regering om zonder dralen de confrontatie met de Sovjet-Unie te zoeken. Het communisme wilde volgens hem maar één ding: een heerschappij over de wereld, die een einde zou maken aan de westerse beschaving. Hoe zou Amerika kunnen overleven in een internationale orde die voor een belangrijk deel door een dergelijke vijand werd beheerst? Een defensieve politiek van indamming, die door president Truman met de containment-doctrine werd aangekondigd, was volgens Burnham onvoldoende. Deze tegenstander moest worden uitgeschakeld door een Amerikaans imperium te vestigen. Nodig was een policy of democratic world order die geen defensief maar een agressief karakter had.

De toegewijde biograaf David Kelly, van beroep diplomaat, vertelt dat Burnham pessimistisch was over de mogelijkheid dat Amerika in staat was een politiek te voeren die de vestiging van democratie als mondiale noodzaak opvatte. Hij miste in zijn land het juiste politieke leiderschap om dit ambitieuze project van de grond te krijgen. Amerika was nu eenmaal in politiek opzicht een achterlijk land, aldus Burnham, en eerder geïnteresseerd in economisch succes en vrijblijvend moralisme. Deze stuurloze gigant liet te snel het hoofd hangen als de zaken anders verliepen dan het ruim voorradige maar irreële optimisme deed verwachten. Zo ging het begin jaren vijftig in Korea en vijftien jaar later in Viëtnam. In die laatste kwestie liet Burnham zich al snel leiden door zijn nooit wijkende realisme: onder het motto cut your losses pleitte hij voor een terugtrekking van de Amerikaanse troepen.

Kelly maakt duidelijk waar het on-Amerikaanse pessimisme van Burnham vandaan kwam. Aan zijn afkomst lag het niet: geboren in 1905 in Chicago groeide hij op in een solide middenklasse-gezin. Hij blonk uit op school en kreeg beurzen om in Princeton en het Britse Oxford Engelse letterkunde en middeleeuwse filosofie te studeren. De literatuur was zijn ware leerschool. Burnham raakte doordrongen van het besef dat het bestaan tragisch is, en de kloof tussen optimistische verwachtingen en gebrekkige resultaten onvermijdelijk groot. Na zijn studie ging hij letterkunde doceren aan New York University. Pas toen de economische crisis uitbrak, begin jaren dertig, raakte hij geïnteresseerd in politiek. Hij sloot vriendschap met zijn collega Sydney Hook, Amerika's meest prominente kenner van het marxisme. In navolging van deze leermeester werd Burnham aanhanger van Trotski. Maar al snel kwam hij in conflict met de door Stalin verbannen roerganger, die tot zijn onbegrip de Sovjet-Unie als een progressieve factor bleef beschouwen in de strijd voor de wereldrevolutie. Burnham ergerde zich aan het dogmatische optimisme van de trotskistische beweging, die in elke nederlaag tenminste een halve overwinning wist te ontdekken. Bovendien bleef hij een buitenbeentje door zich bezig te houden met bourgeois-afwijkingen als het schrijven van literaire kritieken voor het prestigieuze Partisan Review.

In 1939 brak hij met de radicaal-linkse beweging, maar het marxisme bleef nog enige tijd zijn denken beïnvloeden. Dat bleek bij de verschijning van The Managerial Revolution (1941), het boek dat Burnham wereldberoemd maakte. Burnham voorspelde daarin dat het kapitalisme ten onder zou gaan, niet omdat het communisme zou zegevieren maar omdat alle moderne samenlevingen onvermijdelijk onder de heerschappij kwamen te staan van een technocratische elite. De manager kreeg het voor het zeggen, niet alleen in de economie, ook in de politiek, de cultuur en het onderwijs. Met deze laatste profetie schoot Burnham scherper dan met zijn voorspelling dat het kapitalisme zou verdwijnen. Hij oogste niet alleen succes aan de kassa, maar ook waardering van bijvoorbeeld George Orwell, die een essay aan Burnham wijdde en in Nineteen Eighty-Four het boek van de Amerikaanse auteur een plaats gaf.

Nadat eind jaren veertig de tegenstelling tussen Amerika en de Sovjet-Unie tot tevredenheid van Burnham op scherp kwam te staan, nam zijn carrière een aparte wending. Hij gaf zijn baan als academisch docent op. Officieel ging hij met verlof, maar in het geheim trad de man die nog geen tien jaar eerder belijdend trotskist was geweest, in dienst van de CIA. Burnham nam een prominent aandeel in de organisatie van het `Congress for Cultural Freedom', een organisatie die het intellectuele verzet tegen het communisme probeerde te mobiliseren. Binnen vijf jaar had hij echter al weer genoeg van de CIA-bureaucratie. Burnham, inmiddels bijna vijftig, werd fulltime-journalist. Met William F. Buckley Jr. richtte hij The National Review op, een conservatief opinieblad dat weldra spraakmakend werd.

In de jaren vijftig ontwikkelde Burnham zich tot peetvader van het neoconservatisme dat een kwart eeuw later de Amerikaanse politiek veroverde en met Reagan op de troon kwam. In de jaren negentig verdween het naar de achtergrond, maar sinds 11 september 2001 drukt het weer een krachtig stempel op de politiek van George W. Bush. Kelly noemt de voorhoederol van Burnham terloops, maar hij zit als biograaf helaas te dicht op zijn onderwerp om deze intellectuele context het volle pond te kunnen geven. Evenals veel latere neoconservatieven had Burnham een links verleden (vandaar `neo'-conservatief), pleitte hij voor een agressieve buitenlandse politiek tegen de vijanden van de democratie en stond hij positief tegenover de verzorgingsstaat en sceptisch tegenover de zegeningen van de vrije markt. Bovendien had hij een afkeer van het traditionele conservatisme, vooral dat van religieus-rechts. Wat hem met de hedendaagse neoconservatieven verbindt, is dat hij al in de jaren zestig begon te wijzen op de gevaren die radicale derdewereldlanden (nu aangeduid als `schurkenstaten') voor Amerika vormen.

Toch past deze nog altijd boeiende auteur in één opzicht niet in het neoconservatieve stramien: zijn pessimisme en scepticisme bleef hij altijd trouw. De neoconservatieven van de jaren zeventig keerden zich tegen de détente van minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger, in hun ogen een defaitist die meende dat Amerika zijn heil moest zoeken in een orthodoxe machtspolitiek. Die laatste gedachte komt men ook bij Burnham tegen, als tegenwicht van zijn overtuiging dat de Verenigde Staten op mondiaal niveau het politieke initiatief moeten proberen te grijpen. Het werk van Burnham blijft interessant omdat bij hem de typisch Amerikaanse gedachtenwereld van Woodrow Wilson (`to make the world safe for democracy') steeds vermengd is met een forse scheut Europees-Kissingeriaans realisme.

Daniel Kelly: James Burnham and the Struggle for the World. A Life. ISI Books, 443 blz. €31,99