Nationale politie

,,Één Nederlandse politie? Welnee, 25 graafschappen of hertogdommen en een republiek zal je bedoelen.'' Zo luchtten een aantal ,,verontruste dienders'' bijna tien jaar geleden hun hart in het Algemeen Politieblad. De Nederlandse politie onderging toen net de ingrijpendste reorganisatie in haar geschiedenis. De gemeentepolitie (circa 130 aparte korpsen) en de rijkspolitie met haar zeventien districten werden samengevoegd tot een regionale politie met 25 korpsen en een landelijke dienst.

Onderschat de weerstanden niet. ,,Het optuigen van 25 politieregio's die eigenlijk niemand wilde was een bestuurlijk huzarenstukje van formaat'', merkte de hoofdredacteur van het Tijdschrift voor de Politie onlangs op. Zeker omdat deze gepaard ging met een herverdeling van de sterkte en invoering van functiewaardering. Het is sinds de reorganisatie van 1994 dan ook een mantra dat een nieuwe herziening van het politiebestel uit den boze is.

Niet voor VVD-minister Remkes (Binnenlandse Zaken). Hij werkt aan directere zeggenschap over de politie. Dat past in een proces van sluipende nationalisering, dat ondanks die mantra onder diverse kabinetten gewoon doorgaat. Het beheer over de politie, dat voorheen moeizaam moest worden gedeeld met Justitie, is al gecentraliseerd bij Binnenlandse Zaken. Dit departement heeft de benoeming van korpsbeheerders sterker aan zich getrokken door deze functie los te maken van de burgemeester van de centrumgemeente. Er is voorzien in een aanwijzingsbevoegdheid voor het Rijk. Deze zomer is een nationale recherche van start gegaan.

Driekwart van de Politiewet van 1994 is volgens de hoogleraar politiestudies Naeyé inmiddels al herzien. Waarom dan ook maar niet werkelijk een nationale politie ingesteld? Daar zijn zeker argumenten voor. De verschillen in omvang tussen de regiokorpsen zijn nu soms wel erg groot. De informatiehuishouding van de politie, in deze tijd een elementair bedrijfsmiddel, blijft in het regionale bestel een zorgenkindje. Remkes klaagt over wrijving met korpsen bij zijn streven de politiesterkte op te voeren.

Toch zijn er goede redenen een werkelijk nationale politie kritisch te bekijken. Zo is ondanks alle aandacht voor de zware, georganiseerde en vaak grensoverschrijdende criminaliteit het grootste deel van het politiewerk nog altijd regionaal en lokaal. Onderzoekers signaleren al een groeiende afstand tussen politie en lokaal bestuur en bevolking. Voorrang voor de Haagse preoccupaties maakt dat er niet beter op. De kwestie heeft ook een principiële kant, zoals de Amsterdamse hoofdcommissaris, Jelle Kuiper, in 2001 opmerkte in een voordracht. De Nederlandse traditie van een niet-nationale politie ,,heeft de kans vergroot dat de politie, vooral op individueel niveau, in moeilijke gevallen kiest voor de burger en niet voor de regel''. Dat is ook wat waard.

Niet het minste bezwaar is dat één grote organisatie veel nadelen meebrengt, zoals een logge besluitvorming en strijd tussen de verschillende niveau's die er natuurlijk toch blijven. Centralisering is niet een onontkoombare wetmatigheid. De ontwikkeling in de informatie- en communicatietechnologie brengt een gedecentraliseerde (netwerk)oplossing voor de informatieproblemen van de politie juist binnen bereik. De ambities van Remkes hebben iets van een vlucht naar voren. Zijn positie is de laatste tijd juist flink versterkt en gaat volgens Naeyé al ,,in de richting van een robuuste opperbeheerder''. Laat de minister zijn mogelijkheden eerst eens gebruiken, alvorens meteen weer nieuwe bevoegdheden te claimen.