EU-beleid voor talen schiet doel voorbij

Elk jaar wordt op 26 september op last van de Raad van Europa en de Europese Unie de Dag van de Talen gevierd. Dat is het enige overblijfsel van het Jaar van de Talen dat in 1991 werd uitgeroepen om de taalverscheidenheid en de culturele diversiteit in Europa te celebreren. Wat rest is een weerkerend festival van hoogdraverij, misverstand en misleiding.

De verscheidenheid van culturen en talen in Europa is ongetwijfeld een rijkdom, maar ze is ook een last. Daarover zwijgen de Raad en de Unie. Taalgrenzen en cultuurbarrières vormen haast onoverkomelijke obstakels voor de uitwisseling van meningen tussen Europeanen. Ze belemmeren de opkomst van een Europese openbare ruimte, waar het politieke en culturele debat over de grenzen heen gevoerd kan worden. De Europeanen begrijpen elkaar niet goed genoeg om zelfs maar van mening te kunnen verschillen. Er is geen Europese publieke opinie, en daarom kan de democratie in de Unie niet groeien.

De taalpropaganda van de Europese instanties gaat daar volkomen aan voorbij. Ze prest jonge Europeanen om talen te leren, van kinds af aan en levenslang, zoveel mogelijk, zo verschillend mogelijk. Maar als de mensen allemaal andere talen leren, dan zullen ze elkaar toch nóg niet begrijpen? Nee, maar dat is blijkbaar niet de zorg van de Unie of de Raad.

Die willen de diversiteit in Europa bevorderen. Dat streven komt voort uit het misverstand dat een veelheid van talen de culturele diversiteit zou vergroten. Maar dat is niet zo. Parlement en Raad van de Unie decreteren per Besluit 1934 (uit 2000) dat talenkennis ,,het besef van culturele verscheidenheid vergroot en bijdraagt aan het uitroeien van xenophobie, racisme, antisemitisme en onverdraagzaamheid''. Zou het echt? Nee, natuurlijk niet. Sterker nog, er is nauwelijks verband tussen verscheidenheid van talen en culturele diversiteit.

Iemand die Fins, Zweeds en Sama kent komt veel minder culturele variatie tegen dan iemand die in het Frans alleen al toegang heeft tot Parijse advocaten, Quebecoise winkeliers, Senegalese ambtenaren, Guyanese politieagenten en Caledonsiche vissers. Die culturele verscheidenheid is in het Engelse taalgebied nog veel groter.

De Europese Commissie heeft zich ingezet voor de uitwisseling van studenten tussen de lidstaten, om daarmee hun culturele horizon te verbreden. Wat gebeurde? In de concurrentie om die studenten met hun Europese beurzen bieden in de meeste landen de universiteiten nu studieprogramma's in het Engels aan.

De Europese propaganda wil de verscheidenheid aan talen die de burgers leren nog vergroten, maar bereikt ook hier precies het omgekeerde van de in het openbaar beleden doelstellingen. Doordat in Europa zoveel talen in omloop zijn wordt de spraakverwarring almaar groter en lijkt er nog slechts één uitweg uit de Babylonische chaos: hoe meer talen, hoe meer Engels.

Bijna 90 procent van de scholieren op het vasteland van Europa leert Engels als vreemde taal. Nog niet de helft leert Frans, een kwart Duits, een tiende Spaans. Ruim de helft van de Europese jongeren zegt te kunnen converseren in het Engels, nog niet een kwart in het Frans. Ministeries, schoolbesturen, ouders en leerlingen hebben allang gekozen voor het Engels als Europese lingua franca. De Raad van Europa en de Europese Unie willen dat feit niet erkennen, omdat het de formele gelijkheid van alle landstalen der lidstaten aantast. Vandaar ook vandaag weer de reclame voor het leren van zoveel mogelijk verschillende talen, het geeft niet welke. De scholieren van Europa trekken zich daar niets van aan en doen wat hun het verstandigst lijkt: zo gauw en zo goed mogelijk Engels leren. Daarmee is de communicatie in Europa het meest gebaat, wordt de openbare discussie bevorderd, blijft de culturele diversiteit gewaarborgd en verschaffen die jongeren zich betere toekomstkansen.

De mensen kunnen natuurlijk op Europees gezag levenslang andere talen blijven leren, als ze niets beters te doen hebben. Eurbarometer (59, 2003) heeft de Europeanen gevraagd wat zij de belangrijkste vaardigheden vinden. Kennis van vreemde talen kwam op de dertiende plaats in een ranglijst van vijftien.

Het beleid van de Europese instanties versterkt in feite de hegemonie van één taal, het Engels. Is er dan geen alternatief? De Europese Unie zou kunnen erkennen dat de talen van de lidstaten in de praktijk niet gelijk zijn. Sommige zijn kansloos buiten de eigen landsgrenzen, enkele maken nog een kans om als internationale verkeerstaal naast het Engels te blijven fungeren: Frans in Zuid-Europa, Duits in Noord- en Centraal-Europa, op den duur misschien Pools in Oost-Europa en, buiten Europa, het Spaans op het westelijk halfrond. Wil de Unie het monopolie van het Engels tegengaan, dan moet ze een politieke keuze durven maken. Ze moet naast het Engels twee, drie talen als grensoverschrijdende verkeerstalen de voorrang geven. Alleen zó is het Engels nog te stuiten. Zulk realisme is in elk geval te verkiezen boven de ongegeneerde hypocrisie waarmee de Unie en de Raad nu de jeugd op het verkeerde leerpad zetten.

Prof.dr. A. de Swaan is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en auteur van het boek `Woorden van de wereld'.