Blairs Groot-Brittannië is niet soeverein meer

Geheim inlichtingenwerk, zo zijn we te weten gekomen, is geen wetenschap. Voor sommigen is dat een ernstige desillusie. Ze hebben zich – grootgebracht met verzonnen versies van een ondoordringbare wereld – wellicht voorgesteld dat inlichtingenwerk toegang gaf tot supergeheimen die de vage banaliteiten in de pers verre overtreffen. Het komt immers van heel ver weg, bekleed met een nauwkeurigheid waarvan anderen geacht worden niets te weten. Nieuwe premiers die die geheime wereld voor het eerst betraden, hebben toegegeven gefascineerd te zijn geweest, en aanvankelijk ook bereid te zijn geweest alles te geloven. Ik denk dat Tony Blair een van hen was.

Ik ben bereid te geloven dat hij goede redenen meende te hebben het dossier met beweringen over Saddam Hussein te publiceren. Hij wilde de kiezers laten delen in een stukje geheim inlichtingenwerk. Het probleem was dat deze gevoelige informatie zijn magie had verloren. Hij had het ontdaan van alle precisie die het had. Het was niet langer een ijskoud product van voorzichtige analyse, het was politiek geworden. Blair werd zijn eigen chef-analist, en zijn houding werd het tegenovergestelde van cool.

Aan de ene kant weten we nu dat in februari hoge mensen uit de inlichtingendiensten categorisch lieten weten dat een oorlog tegen Irak volgens hun bevindingen tot méér, en niet tot minder terrorisme zou leiden. Blair wees dat simpelweg van de hand. Aan de andere kant stelt hij in discussies met sceptici het spetterende materiaal van de inlichtingendiensten dat op zijn bureau belandt, voor als de absolute waarheid. Als je het maar wilt zien, zegt hij dan. Als je zou weten wat ik weet, zou je in de verste verte niet op het idee komen te twijfelen aan de noodzaak ten oorlog te trekken om te voorkomen dat massavernietigingswapens in handen van terroristen vallen.

De geheime dienst is, met andere woorden, een flexibele vriend geworden, een politiek instrument. De chef van de dienst, John Scarlett, is bovendien een maatje van 10 Downing Street, eerder dan een terughoudende en afstandelijke doorgever van de waarheid. Deze oorlog heeft veel gecorrumpeerd, en daaronder valt ook de degradatie van wat ooit werd voorgesteld (en wat ook daadwerkelijk werd gezien) als een juweel van het Britse regeringsapparaat.

Dit had een reden die al vast stond, en dat is niet nieuw, maar het moet vaak worden herhaald. De informatie moest passen bij een besluit dat al was genomen. Dat is het grote overkoepelende feit over de oorlog, een feit dat Blair nooit zal toegeven maar ook niet overtuigend kan ontkennen. Hij had zich vastgelegd op een oorlog maandenlang voordat hij dat hardop zei. Natuurlijk wilde hij die niet zomaar. Hij wilde toestemming van de Verenigde Naties. Hij stelde alles in het werk om Bush die kant uit te krijgen. Maar hij was wel bereid uiteindelijk ook zonder die toestemming ten oorlog te trekken.

Hij had die verdraaide informatie nodig om zijn zaak te rechtvaardigen, en het kon hYoung, Hugoem niet echt schelen wat hij moest zeggen om dat te bereiken. Hij had zich jegens Bush vastgelegd. Een van zijn vele buitengewone uitlatingen was het argument dat het Groot-Brittannië's nationale taak was te voorkomen dat de Verenigde Staten geïsoleerd zouden raken. Maar hij zat ook verstrikt in de mystieke draden van de geschiedenis. Hij kon geen scenario overwegen dat voorzag in het breken met banden en rituelen die al bij Churchill begonnen en die decennialang zowel door Downing Street als door het ministerie van Defensie zijn gecultiveerd.

Hij werd gedreven door nog iets anders, iets waarvoor geen van zijn voorgangers is gevallen. Zonder uitzondering richtten zij zich voor alles op het Britse belang. Zij konden een rendabele band aantonen tussen het keiharde Britse nationale belang en de incidentele voordelen van de speciale relatie. Voor Blair is er alleen de theorie. De theorie van de preventieve interventie in de zaken van een derde land, om morele redenen en op instigatie van een wereldmacht waar hij niet tegen bestand is.

Wat betekent dit? Het betekent dat we zijn opgehouden een soevereine natie te zijn. Er is de afgelopen jaren ontzettend veel gepraat over soevereiniteit. Het is het sleutelthema in het hart van ons Europese debat geworden en gebleven. De afwijzing van de euro door de Zweden had duidelijk van doen met iets wat met soevereiniteit te maken had, eerder, zo vermoeden veel waarnemers, dan met de fijnzinnigheden van het economisch beleid. Wat het betekent een onafhankelijke natie te zijn is een vraag die het diepste wezen van een volk raakt. En toch is het een vraag die onze leider, ten aanzien van deze oorlog, simpelweg versluierd heeft voor zijn volk, opgejut als hij was door Amerikaanse kranten en journalisten.

Ik geloof niet dat deze afstomping lang kan duren. Als de onvoltooide geschiedenis van de Iraakse oorlog één voordeel heeft, dan is het dat de Britten ooit zullen beseffen wat de speciale relatie met hun bestaan doet. Maar intussen moet Blair zien te leven met een band die hij uit vrije wil heeft geschapen, een band waarvan Jack Straw hem, in een futiele poging, op de valreep nog heeft willen redden.

De episode onthult eens te meer dat dit Blairs oorlog is, en, afgezien van Bush, van niemand anders. Je kunt hem op twee manieren zien.

De eerste: als de grote misleider. Gedreven door zijn eigen elan, onderworpen aan morele imperatieven die elk pragmatisme tenietdoen, gedwongen de bevolking openheid van zaken te onthouden, gegrepen door het heilige geloof in de noodzaak in deze wereld, waar de vijand overal en nergens is, het goede tegen het kwade te laten optreden. Het kan onder bepaalde omstandigheden zijn einde zijn, als de waarheid, om welke mooie reden dan ook, teveel blijkt te zijn verdraaid.

Er daagt uit deze mist echter nog een ander beeld op. Een grote, tragische figuur. Tony Blair had zoveel potentieel. Hij was een sterke leider, een visionair op zijn eigen manier, een man die iedereen in eigen land en elders de baas was. Zijn retorisch vermogen was even uitmuntend als de bereidheid van mensen naar hem te luisteren. Hij bezat hun vertrouwen. Hij bracht geloofwaardigheid terug in de kunst van de politiek.

Dat verdwijnt nu, zij het niet duidelijk zichtbaar. Het lijkt allemaal te gebeuren onder het radarscherm van de opiniepeilingen. Het land leeft althans half normaal verder. Onze jongens gaan ginds dood in een futiele oorlog, zonder duidelijk einde. Geen einde althans dat we zelf bepalen. De leider is aan het werk en wacht zonder al te veel nervositeit, zo mogen we aannemen, op een prettig vaag Hutton-rapport. En toch, er gebeurt iets belangrijks. Dat betreft niet alleen hem en de vraag of hij dit overleeft. Het betreft ons land en wat daarvan wordt in de ellendige ban van Bush en zijn bende.

Deze column, op 16 september gepubliceerd in The Guardian, was de laatste van Hugo Young. Hij overleed in de nacht van 21 op 22 september.