Afstand onderzoek tot beleid moet groter

De structuur van beleidsonderzoek dient te veranderen. Het moet bijvoorbeeld duidelijk worden hoe het zit met de financiering, vindt Erik de Gier.

De afgelopen dagen is van politieke zijde flink wat commotie ontstaan over de vermeende partijdigheid van het Verwey-Jonkerinstituut en zijn voormalige directeur bij de evaluatie van het integratiebeleid in ons land. Het SP-Kamerlid Lazrak is om die reden uit de desbetreffende parlementaire onderzoekscommissie gestapt en ook het VVD-Kamerlid Hirsi Ali heeft zich met ferme uitspraken niet onbetuigd gelaten.

Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt. Vergaande betrokkenheid van beleidsonderzoekers bij het beleid kwam voor het eerst aan de orde ten tijde van de opkomst van het fortuynisme en de daarmee gepaard gaande roep om een `nieuwe politiek'. Ook toen werden met name minderhedenonderzoekers op de korrel genomen.

Daarnaast was er kritiek op het Sociaal en Cultureel Planbureau omdat dit instituut niet tijdig de maatschappelijke onvrede met de politiek en het beleid ten aanzien van veiligheid en gezondheidszorg had gesignaleerd. Dit alles roept de vraag op of er misschien iets mis is met de manier waarop het beleidsonderzoek in ons land is georganiseerd en gestructureerd.

Globaal bezien bestaat de huidige structuur van beleidsonderzoek uit een combinatie van commerciële onderzoeksinstituten, universiteiten, overheidsplanbureaus en adviesraden. De verwevenheid met beleidsmakers en politici van deze instituten en instellingen gaat soms heel ver.

Niet alleen wedijveren de instituten met elkaar ten aanzien van het doen van beleidsrelevante aanbevelingen op basis van het door hen uitgevoerde en door de overheid bekostigde onderzoek; zij zijn veelal ook betrokken bij zowel het beleidsvoorbereidende als het beleidsevaluerende onderzoek.

Soms is daarbij sprake van langjarige relaties tussen instituten en overheid of van structurele basisfinanciering. Het geheel wekt daardoor gemakkelijk de indruk van een soort van poldermodel op het vlak van beleidsonderzoek waarin iedereen iedereen kent en waarbij men gemakkelijk elkaar de bal toespeelt.

Op zichzelf is het goed dat het beleidsonderzoek door de politiek ter discussie wordt gesteld. In een tijd waarin zowel politiek, de overheidsorganisatie en de verzorgingsstaat grote veranderingen doormaken, kunnen ook de beleidsonderzoekers niet buiten schot blijven.

Cruciaal in dit verband is de afstand van het onderzoek tot het beleid. Wellicht is die op dit moment te gering en zou het verstandig zijn eens goed na te denken over enige vergroting van de afstand, waardoor in elk geval partijdigheid van onderzoekers bij het uiteindelijke beleid kan worden uitgesloten.

Vragen die daarbij aan de orde moeten komen, betreffen onder meer de wijze van financiering van het beleidsonderzoek, de mate van openheid van de competitie op de markt van beleidsonderzoek, de wijze van toekenning van het onderzoek door beleidsinstanties en de transparantie daarvan. Ook zou er veel meer ruimte moeten komen voor second opinions. Wat dat betreft is zeker ook het voorstel van CDA-Kamerlid De Nerée voor het in het leven roepen van een kleine raad van topeconomen als aanvulling op het CPB een nadere discussie waard.

Meer ten principale dient op korte termijn een grondige evaluatie te komen van de bestaande structuur en werking van beleidsonderzoek in ons land. Doel daarvan is het ontwerpen van een nieuw model waarmee niet alleen de mogelijkheid van partijdigheid van onderzoekers wordt uitgesloten, maar dat tegelijkertijd ook efficiënt en effectief is.

Erik de Gier is directeur van SISWO/Instituut voor Maatschappijwetenschappen en hoogleraar Sociaal Beleid aan de Universiteit van Amsterdam.