Koloniale herinneringen

In de tijd van de grote dekolonisaties, ongeveer in het derde kwart van de vorige eeuw, verklaarden de `moederlanden' onveranderlijk dat ze niets liever wilden dan de onafhankelijkheid van hun koloniën, maar dat die nog even geduld moesten hebben omdat ze niet rijp waren voor zelfbestuur. Het stadium waarin het probleem-Irak zich bevindt, doet, met alle grote verschillen, meer en meer aan die periode denken. Zie de recente vaderlandse geschiedenis: Indonesië en Nederland, tussen 1945 en 1949. Hoe Den Haag zich heeft ingespannen om een staatsvorm te ontwerpen voor het land dat zichzelf al als een onafhankelijke republiek beschouwde. Hoe we onder druk van onze militaire aanwezigheid de `deelstatenstructuur' probeerden op te leggen, en ten slotte binnen een groot gemenebest de Nederlandse koningin als staatshoofd presenteerden. Hoe vaak is daarbij de `onrijpheid' van de Indonesiërs aangevoerd? Soekarno, de onbetwiste leider van de Republiek, dacht er anders over. Maar tegen alle internationale druk en adviezen in, wilde de Nederlandse regering niet met de `extremist' praten. Nederlandse soldaten vochten tegen de `extremisten'. Nadat we vier jaar oorlog aan de andere kant van de planeet hadden gevoerd, kwam de formele overdracht van de soevereiniteit.

Irak is volstrekt anders; geen kolonie die zich vrij moet vechten. De Amerikanen hebben door de oorlog niet alleen de Irakezen van een dictator bevrijd, maar ook de natie een verpletterende militaire nederlaag toegebracht. Met hun doel, regime change, kon dat niet anders. Toch is het is niet ondenkbaar dat zelfs het verzet tegen de dictator daarmee in zijn nationale trots gekrenkt was. Hoezeer alle vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog ook mank gaan, deze situatie herinnert aan die waarin de Italianen zich bevonden nadat ze van Mussolini waren bevrijd, en ook: de oorlog hadden verloren. Dat dilemma, deze ambivalentie is meesterlijk beschreven door Curzio Malaparte in zijn roman De huid. Enigszins vergelijkbaar voor Duitsland is het boek van Ernst von Salomon, Der Fragebogen, het boek van omstreeks vierhonderd pagina's waarmee de schrijver, autobiografisch, ironisch het door de Amerikanen uitgedeelde `denazificatieformulier' heeft ingevuld. Ik kan me niet in de nationale gevoelens van de Irakezen verplaatsen, maar wel vermoeden dat ze aan vergelijkbare, sterk gemengde gevoelens ten prooi zijn.

Tot zover de nederlaag annex bevrijding. Dan wordt de paradoxale toestand voortgezet. De bevrijders worden tot bezetters. En nu ontstaat een overeenkomst met de oude koloniale tijd. In het Midden-Oosten, met een lange geschiedenis van westerse, Franse en Britse overheersing, neemt de bezetter al vlug de gedaante van de kolonisator aan. Hij weet het beter, de Irakezen zijn nog niet rijp. Intussen gedraagt een zeker aantal van de 130.000 soldaten zich niet zoals het hoort, wordt dronken, raakt overspannen, schiet op burgers, enz. Zeker een bezettingsleger wordt al vlug beoordeeld naar het gedrag van zijn slechtste leden. Het werkelijke verzet vat weer moed, er ontstaat een soort stadsguerrilla. Uit de hele regio stromen vrijwilligers toe, en daarmee is de neerwaartse spiraal begonnen. Waar een gevaar moest worden verwijderd (de massavernietigingswapens), is, zoals president Bush constateert, het `centrale front' in de strijd tegen het internationale terrorisme ontstaan. Het is ernstiger. Het terrorisme heeft met deze ontluikende koloniale oorlog nieuwe, ongedroomde kansen gekregen.

Na de ontdekking van deze nieuwe werkelijkheid volgen de consequenties: er moeten meer troepen komen en er is 87 miljard dollar extra nodig. Dan vraagt Washington hulp, maar wil die alleen aanvaarden onder de alles overheersende voorwaarde dat de Amerikanen de baas blijven. De Verenigde Naties wordt toegestaan een grondwet te ontwerpen (,,Daar zijn ze goed in'', zegt Bush). Gaan de bondgenoten bij ongewijzigd Amerikaans beleid op de uitnodiging van Washington in, terwijl de rol van de VN tot die van administratief figurant beperkt blijft, dan betekent dit feitelijk dat ze medeplichtig worden aan een nieuw soort koloniale oorlog die zich nu ontplooit. De strategische denker Martin van Crevelt, de Carl von Clausewitz van Israël, voorspelde onlangs dat ,,de Amerikanen hangend aan hun helicopters Irak zullen verlaten''. Bij bondgenootschappelijke steun onder de voorwaarden van Bush is dit dan ook voor de hulpvaardige vrienden weggelegd.

In Irak wordt opnieuw een grens gepasseerd: tussen bezetting en een soort oorlog die iedere dag meer op een ouderwetse koloniale gaat lijken: tussen de bezetters, vervuld van dwingend paternalistische bedoelingen, en het aldus onderworpen volk dat niets liever wil dan dat de bezetter zo vlug mogelijk verdwijnt. Maar dat gebeurt nog niet. Want Washington wil, zeer begrijpelijk, niet veranwoordelijk worden gehouden voor de chaos die dan kan ontstaan (en waarschijnlijk ook zál ontstaan). Bovendien zal een snel vertrek beschouwd worden als een nederlaag, met alle consequenties vandien voor de herverkiezing van Bush. Tenslotte vergt dit een revolutie in het Amerikaanse denken, waarmee in beginsel de grondslag voor de hele buitenlandse politiek van dit bewind zou worden aangetast.

Een koloniale oorlog is nog nooit door de kolonist gewonnen. Op z'n best is de kolonist bijtijds zo verstandig geweest om gebruik te maken van de door derden geboden uitweg, voor hij definitief werd verslagen. Zo'n uitweg is ontworpen door president Chirac, te radicaal om er ogenblikkelijk en in ongewijzigde vorm gebruik van te maken. Maar het is een aanzet. De kern van het plan is dat de Amerikanen van hun centrale rol als bezetter zullen worden vervangen door de neutrale Verenigde Naties waarvan geen bijbedoelingen te verwachten zijn. In andere bewoordingen, met andere argumenten, deelt Kofi Annan deze zienswijze. In een compromisloze toespraak toont Bush zich niet ontvankelijk.

Dit betekent dat het schisma tussen Amerika aan de ene kant, en aan de andere het `oude Europa' en de VN wordt gecontinueerd, onder omstandigheden die voor alle partijen slechter zijn geworden. En dit is dan nog een overeenkomst met het oude koloniale conflict. Voor de kolonist moet zijn situatie ondragelijk zijn geworden, voor hij begrijpt dat hij moet vertrekken. Zo ver zijn we nog lang niet.