Aan meubels ontstegen

Ze hebben meestal vier poten, we delen ons leven met ze, ze kunnen hard zijn of zacht, maar we vertrouwen onszelf aan ze toe, zittend, liggend. Ze hebben holten waar we dingen in bewaren of waar we zelf in kruipen, ze irriteren ons of geven juist rust, of we vinden ze prachtig. Ik bedoel meubels. We kunnen niet zonder, maar we denken eigenlijk zo weinig over ze: heel wat minder dan over, zeg, onze echtgenoten of zelfs maar onze kleren.

Terwijl er toch veel over ze te zeggen en te schrijven is.

In 1840 schreef Edgar Allan Poe een filosofische beschouwing (zo noemde hij het althans zelf) over meubels. Over de Nederlanders en hun meubilair merkte hij op dat die hooguit een vaag idee hebben dat een gordijn geen kool is. Een sombere kijk, die wel een voorbode lijkt te zijn van de wanhoopskreet die Rudy Kousbroek anderhalve eeuw later slaakte. Hij noemde Nederland ,,een bewoond gordijn''.

Nee, de Nederlandse beschaving munt niet uit door de gratie van haar meubels. In Poe's tijd werd de Franse smaak hoog geprezen. Daarna werd deftigheid het ideaal, wat leidde tot steeds vollere kamers en overal kleedjes, kleedjes op kleden, hoe meer kleedjes hoe meer vreugd. Nederland werd inderdaad een bewoond gordijn.

Toen veranderde er iets, en misschien was het geen toeval dat Nederland bij die verandering vooropliep. In de twintigste eeuw ontstond de verwachting dat het leven in de toekomst beter zou worden. Lelijkheid en benepenheid hadden hun langste tijd gehad. De dingen waarmee de mensen zich omringden, de huizen, de meubels moesten als eerste worden aangepakt. Voortaan zouden zij helder en `verantwoord' van lijn zijn, en degelijk van makelij. Deftig doen met meubels, dat was iets van het verleden. Rijke versieringen: bah. De bewoonde-gordijnigheid moest wijken voor licht, lucht en ruimte.

Ineens hadden meubels echte betekenis. Dit was hun finest hour. Het nieuwe gedachtegoed leidde ertoe dat steeds meer mensen hun oude zooi, inclusief dierbare stukken, opruimden om plaats te maken voor de verantwoorde ontwerpen van Pastoe en Gispen, van De Ploeg en 't Spectrum. Als de Nieuwe Mens zou komen, stonden zijn meubels alvast op hem te wachten.

De meubels van Pastoe, ach ja. Ouderen herinneren zich de strak-belijnde kasten en banken in de hoger opgeleide interieurs. De firma blijkt dezer dagen negentig jaar te bestaan. Er worden nog steeds Pastoe-ontwerpen gemaakt en verkocht, en met geld uit diverse subsidiepotten kwam er een jubileumtentoonstelling in Utrecht, de stad waar Pastoe vanouds is gevestigd. Daar, zo verwachtte ik, zou een overzicht te zien zijn van al die oude moderne Pastoe-ontwerpen, meubels van betekenis.

Maar dat bleek een vergissing. De Pastoe-tentoonstelling bevat niet één meubelstuk, oud noch nieuw. Geen kubuskast, geen slaapbank. In plaats daarvan hebben ontwerpers van de hoogste artistieke pluimage zalen mogen uitdossen op hun eigen manier, geïnspireerd (zoals dat altijd heet) door het modernisme van Pastoe. En zo staat het hulpgebouw van het Centraal Museum nu vol met ideetjeskunst. Een modeontwerper orakelt over ,,gethematiseerde huid''. Iemand anders presenteert trots een ,,etymologische installatie'': een stellage met affiches waarop te lezen is: Pas toe! Ocharm.

De ambitieuze meubelfabrikant blijkt geheel aan de meubels te zijn ontstegen. Zo zie je dat de glorie van het meubelmodernisme de eenentwintigste eeuw niet heeft gehaald; de dingen waarmee wij leven zijn weer teruggevallen naar de status van alledaagse voorwerpen. De Nieuwe Mens is gekomen, maar hij houdt niet van meubels, hij ziet meer in ideeën. Waar hij woont is leegte, het bewoonde niets.