Subsidies

IN DE GROTE VERDEELMACHINE van de overheid gaat veel geld om en een aanzienlijk deel daarvan gaat naar subsidies. Jaarlijks besteedt de overheid bijna 22 miljard euro aan meer dan vijfhonderd verschillende subsidieregelingen. Tal van burgers en velerlei organisaties worden financieel geholpen. Het kan gaan om inkomensondersteuning, zoals huursubsidie of studiefinanciering, maar ook om steun aan opbouwwerk, geld voor openbaar vervoer of bevordering van technologische innovatie bij het bedrijfsleven. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), dat jaarlijks ruim twee miljard aan subsidies verstrekt, heeft als eerste het mes gezet in de subsidieverlening. Gisteren kregen de sport- en jeugdorganisaties, organisaties van medische beroepsgroepen, hulpverleners en informatieverstrekkers en enkele centra voor maatschappelijk debat te horen dat ze hun subsidies van VWS volledig verliezen of dat de subsidiebedragen gekort worden. Honderddertig instellingen raken alles kwijt, honderdzeventig instellingen worden gekort en in 2007 bespaart VWS zo 130 miljoen euro op de begroting.

Subsidies dienen uiteenlopende doelen. Het valt te prijzen dat de bewindslieden van VWS, minister Hoogervorst (VVD) en staatssecretaris Ross-Van Dorp (CDA), de subsidieverlening door hun departement kritisch hebben doorgelicht. Ze willen versnippering tegengaan, achterhaalde doelstellingen herzien, overbodige steun schrappen of overhevelen en nieuwe criteria vaststellen waaraan in de toekomst subsidieverlening door VWS dient te voldoen. `Kennis, innovatie en meedoen' zijn weliswaar ook ruim gedefinieerde begrippen waaronder veel kan vallen, maar het schept een kader. Zoals ook het voornemen de subsidieverlening op afstand van het ministerie te plaatsen, verstandig is. Vaak zijn subsidies niet alleen maatschappelijk sympathiek, maar mede de hobby's van bewindspersonen of ambtelijke diensten om zich van een welwillende achterban te verzekeren. Aan subsidieverlening zouden twee in wezen politieke vragen vooraf moeten gaan: 1. Gaat het om een maatschappelijk zeer gewenste activiteit en 2. Is de overheid als financieringsbron hiervoor onmisbaar. Pas als beide vragen met ja worden beantwoord kan er sprake zijn van subsidie.

SPORT- EN JEUGDORGANISATIES, emancipatoire en (para-)medische belangengroepen krijgen het nu voor de kiezen. Ze hebben anderhalf jaar de tijd om zich in te stellen op stopzetting van de subsidieverlening. In veel gevallen kan dit worden opgelost met een extra bijdrage van direct betrokkenen of nog grotere inzet van vrijwilligers. Sportbonden kunnen omzien naar andere financieringsbronnen, zonder te vervallen in ouderwets verzamelen van metalen melkdoppen of oude kranten. Maar het brede veldwerk van sport- en jongerenclubs is belangrijk voor de opvang en ontwikkeling van de jeugd en daarom moet er met specifieke kortingen terughoudend worden omgegaan. Er zullen de komende tijd veel meer maatschappelijke organisaties onaangenaam getroffen worden. Een kritische doorlichting van het woud van regelingen is wenselijk. Dat is hard, maar het past binnen het streven van dit kabinet om de eigen verantwoordelijkheid van burgers en maatschappelijke organisaties te vergroten.