Docentenconformisme

Het is wonderlijk en veelzeggend dat in het artikel `Wordt Nederland dommer?'in het maandblad M van 6 september bij het vinden van een verklaring voor de verschraling van de academische cultuur in Nederland in de afgelopen decennia, niet to the point gekomen wordt. In een versnipperd betoog zonder dwingende conclusies, waarin vooral de (vermeende) tegenstellingen tussen de Nederlandse universiteiten en de Angelsaksische collega-instellingen breed worden uitgemeten, komt één van de belangrijkste oorzaken van deze treurige ontwikkeling niet, of hoogstens zijdelings, aan bod: de aanstelling in de jaren '70 en '80 van links-conformistisch universitair personeel dat – ook na gebleken ongeschiktheid of middelmatigheid – tot op de dag van vandaag wordt gehandhaafd.

Herman Pleij reageerde in deze krant van 15 september laconiek: het valt allemaal wel mee en wat zeuren ze nou eigenlijk. Pleij, zelf onbetwist toonbeeld van academische excellentie, houdt het al veertig jaar aan dezelfde Amsterdamse universiteit uit, dus moet er iets grondig mis zijn met al die kritiek op het Nederlandse universitaire bestel, aldus de strekking van dit artikel met als kop: `Ik ben een fraaie exponent van totale immobiliteit'. Pleij is overigens de enige van de ondervraagden die, voorzichtig, de kwestie van `modieuze' wetenschap aan de orde stelt. ,,De trend die in Amerika begon om overal gender-vragen bij te stellen bijvoorbeeld, was volgens hem voor een belangrijk deel ingegeven door de wens om een baan te vinden. Als ik nou zus doe of zo, dan valt het vast in de smaak. Deze modes vindt Pleij een gevaar voor de wetenschappelijke vrijheid.'' Pleij ziet dit conformistische, carrièregerichte gedrag dus, geheel volgens het in universitaire kringen vigerende cliché, vooral als een uit Amerika overgewaaid verschijnsel, waarmee dit principiële punt wordt gesmoord in de veilige discussie over de tegenstellingen tussen de Nederlandse en Amerikaanse academische cultuur. Met kritiek op de VS val je je aan de Universiteit van Amsterdam nooit een buil.

Maar hier wordt iets essentieels aangeroerd dat niet valt af te doen met gemeenplaatsen. De baby-boomers die in de jaren '70 en '80 de relevante academische posities wisten te bemachtigen, vormen momenteel niet slechts numeriek of logistiek een `grijze prop' aan de Nederlandse universiteiten. Zij vormen vanwege hun gebleken conformistische attitude voor álles een `grijze prop' in wetenschappelijk opzicht. Wie in deze periode een vaste aanstelling verwierf, is immers een ideologische ballotage gepasseerd waarvan de vanzelfsprekendheid toekomstige onderzoekers zal verbazen. Conformisme aan een linkse maatschappijvisie was toen, zeker in de geesteswetenschappen, een vereiste voor een aanstelling aan een Nederlandse universiteit.

Wat valt er, zo kan men zich afvragen, aan onafhankelijke, vernieuwende wetenschapsbeoefening te verwachten van halftalenten die hun universitaire loopbaan voornamelijk danken aan conformisme? Hoe kan iemand zijn studenten ooit tot wetenschappelijke onafhankelijkheid brengen wanneer hij/zij zelf op zo'n beschamende wijze conformisme aan heersende, `modieuze' opvattingen heeft betoond? Zou niet onderzocht dienen te worden welke invloed handhaving van zulk universitair personeel heeft op de kwaliteit van het huidige universitaire onderwijs? Zouden deze – ongetwijfeld voor velen onaangename – vragen niet op een of andere wijze aan de orde hadden moeten komen in het artikel in M?

Dr. B.C. van den Boogert is conservator van Museum het Rembrandthuis in Amsterdam.