De student wil wel 2

Met de student in Nederland is niets mis. Er is geen gebrek aan intelligente, gemotiveerde studenten. Het is natuurlijk wel zo dat in een grote groep studenten de motivaties verschillen. Het probleem in Nederland is, dat de universiteit uitgaat van een niet bestaande eenheidsworst, waaraan het programma wordt aangepast. Als voorbeeld hiervoor kan de studie kunstgeschiedenis dienen – bij uitstek een studie voor gemotiveerde studenten. In zes jaar tijd zijn hier de gevolgen van de veranderingen in het studieprogramma desastreus. Vijf jaar geleden bestond de studie uit een propedeuse en een doctoraal. Het laatste tentamen was een proeve van zelfstandige wetenschappelijke bekwaamheid: een mondeling tentamen over zes moeilijke boeken. Vier jaar geleden werd de major-minorstructuur ingevoerd, vanuit de gedachte dat verbreding de student verder zou brengen in de maatschappij dan verdieping. Het boekententamen moest worden afgeschaft: te moeilijk. Ook voor vakken die door de docent naar eigen inzicht werden ingevuld, was geen plaats meer.

Inmiddels is daaroverheen de bachelor-masterstructuur ingevoerd. Naast de organisatorische chaos die dit met zich meebrengt, is er een ernstig inhoudelijk probleem. Men is nu bachelor na drie jaar studeren, waarvan de helft van de tijd wordt besteed aan vakken buiten het eigen studiegebied. Dat laat precies genoeg ruimte over om de stof te behandelen die eerder de inleiding vormde op het werkelijk interessante gedeelte van de studie. De gemotiveerde student kan zich verder specialiseren in een master. In de master worden echter nauwelijks vakken gegeven die uitgaan van de creativiteit en de wetenschappelijke zelfstandigheid van de student. In Nederland kan de student nauwelijks nog opklimmen naar de meester. En van de docent wordt verwacht dat hij zich naar beneden wurmt door de trechter van de verbreding. De vraag is naar wie.