Broodje

Het gebeurde omstreeks het middaguur. Het weer leek plotseling te verstrakken. Tevoren had de zon urenlang geschenen, alsof er nog niets aan de hand was en de zomer besloten had voor altijd te blijven. Maar nu betrok de hemel en joegen er ongemakkelijke windvlagen door de straat.

,,De laatste mooie dag'', zei een vrouw op de stoep tegen haar buurvrouw.

,,Maar we mogen niet klagen na zo'n prachtige zomer'', zei de buurvrouw.

Ik liep een eetcafé binnen van Surinaams-Indiase origine. Er was niemand, afgezien van twee Indiase mannen achter een vitrine met etenswaren. Ze voerden een druk gesprek in een taal die ik nooit eerder had gehoord. Ik bestelde een cola en verdiepte me in mijn krant.

Even later kwam er een blonde, gezette man binnen, zo'n monter type dat altijd de conversatie zoekt. Hij bestelde een kop koffie en een broodje kaas en bleef ademloos luisteren naar de dialoog van de mannen. Daarin was nu een nieuw, interessant element geslopen, namelijk de woorden `broodje kaas'. Ze dobberden ontheemd rond op de golven van die volstrekt ontoegankelijke taal. Af en toe verdwenen ze uit het zicht, maar dan opeens waren ze er weer, deze schipbreukelingen van de taal.

Het `broodje kaas' bleek geen normale bestelling in deze zaak, die het op andere uren vermoedelijk vooral van immigranten moest hebben. De ene Indiër rommelde omstandig in de ijskast, terwijl de ander aanwijzingen gaf. Ten slotte kwamen er een onaantrekkelijk bol broodje en een homp kaas te voorschijn.

,,In welke taal praten jullie nu met elkaar?'' vroeg de klant.

,,Punjabi'', zei de man van de aanwijzingen effen, ,,Noord-India.'' En hij maakte zich meteen uit de voeten.

De klant liet zich niet uit het veld slaan. ,,De zomer is voorbij'', zei hij tegen de andere Indiër met een zwaai naar het raam. De Indiër knikte en mompelde iets.

,,Maar we mogen niet klagen'', had ik er bijna aan toegevoegd.

,,Hoe lang zitten jullie hier nou?'' vroeg de klant.

,,Een paar jaar'', zei de Indiër stroef.

,,En? Bevalt 't?'' Het klonk alsof hij naar een nieuwe camping bij Valkenburg informeerde.

De Indiër knikte met een gezicht dat in het Punjaabs dacht: bemoei je met je eigen zaken. Hij zette zonder iets te zeggen het broodje kaas voor de klant neer. ,,De koffie komt eraan'', zei hij en hij liep de winkel uit. We zagen hem het belendende huis binnengaan. Een minuut of vijf later kwam hij terug, een kop koffie in de hand.

,,Ik ben wel lastig voor jullie'', zei de klant.

,,Nee hoor'', zei de Indiër.

,,Wat is nou eigenlijk bakkeljauw?'' vroeg de klant. Hij wees op een onooglijke, bruine klomp in de vitrine.

,,Een soort kabeljauw'', zei de Indiër. Hij pakte zijn mobiele telefoon en begon ermee te pielen.

Toen staakte de klant zijn multiculturele toenadering maar. Hij nuttigde wat hij nuttigen moest en stapte op. Buiten was de zon weer volledig doorgebroken. Misschien bleef het toch wel voor altijd zomer.