Besteed geld voor onderzoek efficiënter

Het onderzoeksklimaat is niet gediend met de huidige bureaucratische regels, meent Frank van der Duyn Schouten.

Hoe kom je tot een omgeving waarin hoogwaardig, inspirerend en onafhankelijk onderzoek gedijt en de vermeende verdomming van de universiteiten een halt kan worden toegeroepen? Dat was de centrale vraag in de artikelen die deze krant de afgelopen weken wijdde aan het universitair klimaat in Nederland. Universiteiten, NWO, KNAW en de overheid kunnen de handschoen die hun hiermee is toegeworpen niet laten liggen. Een eerste vereiste om tot een klimaatsverbetering te komen is een goed doordacht systeem van toewijzing van onderzoeksmiddelen zodat het geld op een efficiënte manier terechtkomt waar het hoort: bij hen van wie de beste onderzoeksresultaten zijn te verwachten.

Het zou toe te juichen zijn wanneer de kwaliteit van onderzoek meer in verband wordt gebracht met de manier waarop de Nederlandse universiteiten worden bekostigd.

Momenteel ligt een substantieel deel van de onderzoeksbekostiging vrijwel onwrikbaar vast in de zogenaamde Strategische Overwegingen Component. Veel strategische aspecten zijn daaraan overigens niet te ontdekken, omdat deze toewijzing van geld door het ministerie van Onderwijs in geen enkel verband staat met doordachte keuzes of feitelijke prestaties van individuele universiteiten. Sinds 1984 is er niets wezenlijks veranderd in de verdeling van deze gelden over de universiteiten.

Het is dan ook begrijpelijk dat NWO (de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) vaak wordt genoemd als de instantie die bij de toewijzing van een deel van de middelen voor onderzoek een intermediaire rol zou moeten spelen. Immers, wanneer de overheid het principe `loon naar kwaliteit' nadrukkelijker wil hanteren, dan is in het Nederlandse onderzoeksbestel NWO de organisatie bij uitstek om objectief vast te stellen waar de uitschieters naar boven in het Nederlandse wetenschappelijk veld zich bevinden. Zo wordt het Spinoza-programma inmiddels algemeen erkend als een transparante en efficiënte methode om in Nederland individuele topwetenschappers te identificeren en te belonen.

Die transparantie en efficiëntie zijn echter nog ver te zoeken bij verschillende andere instrumenten die NWO hanteert om onderzoek aan Nederlandse universiteiten te subsidiëren. Zo kennen we sinds een aantal jaren de zogeheten `Vernieuwingsimpuls' met de programma's Veni, Vidi en Vici. Deze zijn bedoeld ter stimulering van jonge onderzoekers in verschillende stadia van hun wetenschappelijke loopbaan. Met name het Veni-programma gaat gebukt onder een onevenredig zware bureaucratie. In dit programma dient een jonge, recent gepromoveerde onderzoeker zelf bij NWO een onderzoeksvoorstel ter beoordeling in. In de ronde 2002 leverde dat een ruime oogst van 500 voorstellen op waarvan uiteindelijk 125 konden worden gehonoreerd.

De winnaars mogen per persoon drie jaar ongestoord aan hun onderzoek werken. De impliciete kosten verbonden aan dit selectieproces zijn echter zeer hoog. Een ruwe schatting leert dat de tijd die nodig is om 500 voorstellen te schrijven, te becommentariëren en te beoordelen in de buurt ligt van 50 mensjaren wetenschappelijk personeel, nog afgezien van de inzet van de NWO-apparaat zelf. En dat alleen maar om het geld corresponderend met 375 mensjaren onderzoek toe te wijzen. Dat moet efficiënter kunnen.

Naast de kosten roept ook het selectieproces als zodanig vragen op. Voor de beoordeling van die 500 voorstellen zijn tenminste 1.000 referenten ingeschakeld, van wie de meesten uit Nederland. Als deze aantallen worden afgezet tegen het in Nederland aanwezige wetenschappelijk potentieel (er zijn in Nederland ongeveer 3.000 hoogleraren), dan is de conclusie onontkoombaar dat we voor een beoordelingsproces van deze omvang in Nederland wel erg dicht op elkaar zitten. En wanneer NWO de toevlucht zou nemen tot niet-Nederlandse beoordelaars is het zeer de vraag hoelang je wetenschappers van naam bereid vindt tijd te steken in een beoordelingsproces waarmee voor slechts één persoon drie jaar onderzoekstijd is te verdienen. Het valt te vrezen dat binnen de kortste keren het tweede garnituur de dienst uitmaakt.

Het kan anders. Nederland heeft inmiddels vijftien jaar ervaring met de beoordeling van onderzoeksprogramma's door internationale en alom gerespecteerde wetenschappers van naam. Uit deze beoordelingen is een schat aan informatie te halen over de internationale wetenschappelijke status van de ongeveer 1.200 onderzoeksprogramma's die aan Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten worden uitgevoerd. En dan gaat het niet alleen om informatie over wetenschappelijke output in de strikte zin van het woord, zoals publicaties en octrooien. Uit deze beoordelingen is ook informatie te halen over de mate waarin binnen een onderzoeksprogramma ruimte is en wordt geboden aan jong talent. Hoeveel aio's en postdoc's hebben binnen de betreffende onderzoeksgroep de kans gekregen het vak te leren, hun eigen vleugels uit te slaan en hoeveel van hen zijn nationaal of internationaal doorgebroken?

NWO zou kunnen beginnen de beschikbare gelden voor het Veni-programma in grotere brokken toe te wijzen aan die onderzoeksprogramma's die hoog scoren op deze kwaliteitsparameters. De benodigde informatie is in beginsel beschikbaar en het schrijven van honderden individuele onderzoeksvoorstellen (die overigens vrijwel altijd ook na honorering in de spreekwoordelijke la verdwijnen) kan achterwege blijven.

Wat hiertoe nodig is, is een goed opgezette en beheerde database waarin inhoudelijke meerjarige informatie over de kwaliteit en prestaties van het Nederlandse wetenschappelijke onderzoek wordt vastgelegd en wel op het aggregatieniveau van het onderzoeksprogramma. Een dergelijk informatiesysteem wordt gevoed met uitslagen van internationale onderzoeksvisitaties en kost slechts een fractie van de inzet die nodig is voor het jaarlijks organiseren van beoordelingsprocessen van honderden individuele en opzichzelfstaande onderzoeksvoorstellen.

Prof.dr. Frank van der Duyn Schouten is rector magnificus van de Universiteit van Tilburg.