Toe nou jongens

,,Bij het literatuuronderwijs stieten wij al snel op een probleem. [...] Wat was het probleem?

Veel leerlingen konden niet lezen.''

,,Pardon?''

,,Nu ja, ze konden wel `leesboeken' lezen maar geen `literatuurboeken'. Of ze konden niet praten over wat ze gelezen hadden.''

Een bevlogen leraar herinnert zich de invoering van het havo-schooltype en het nieuwe type leerling dat daarmee ontstond of gevormd werd of te voorschijn werd gebracht. De leraar herinnert zich ook hoe hij en zijn collega's op dit probleem reageerden: met verdubbelde ijver. Deze leerlingen moesten leren om literair te lezen, en dus werd ze van alles aangereikt aan kennis en oefenmateriaal. Zelfs ontstond er zoiets als `het BIB-model', de afkorting voor Beschrijven-Interpreteren-Beoordelen.

Het hielp.

,,Toen kwam de tweede fase.''

De leraar beschrijft wat de tweede fase is: een manier om de leraar overbodig te maken door in zijn of haar plaats een boek te geven. Dat boek ís als het ware de leraar. De leerling zit op school te werken uit dat boek en leert daarbij vreselijk veel en controleert zichzelf ook nog eens. Geweldig. De leraar is hierbij stimulerend aanwezig.

,,Toe nou jongens, ga eens wat doen. Toe nou jongens, hou eens op met dat geklets. Toe nou jongens, het is hier de kantine niet.''

Zo wordt de leerling, althans dat is in Zoetermeer zo bedacht, een mondige en weerbare burger. Dat dat gelukt is, weten we allemaal. Mondig en weerbaar zijn Nederlandse leerlingen bij uitstek, over een gedegen kennis beschikken ze helaas niet. Wel zijn ze nu beter voorbereid dan vroeger op het hoger onderwijs waar studenten van oudsher aan hun lot worden overgelaten omdat ze geacht worden zelf te kunnen studeren. Jaren lang bleken ze dat helemaal niet te kunnen, nu hebben ze dat gewoon weer geleerd. Hopelijk. Hoe goed het straks met deze leerlingen aan universiteit of hogere beroepsopleiding gaat, moet nog blijken; de tweede fase is pas in 1998 ingesteld.

Het stuk van de nu al verschillende keren geciteerde leraar heeft als (opgegeven) onderwerp ,,Over de nog altijd erbarmelijke wijze waarop op de meeste middelbare scholen de liefde tot literatuur en helder lezen wordt afgeleerd''. Het onderwerp is afkomstig van wijlen Geert van Oorschot, de leraar die zich maar even niets aantrekt van de rare fout in de formulering (is de manier waarop het lezen wordt afgeleerd, erbarmelijk? Of zou Van Oorschot misschien bedoeld hebben dat het literatuuronderwijs erbarmelijk is?) is de schrijver, dichter, essayist en tevens leraar Robert Anker die al vanaf zijn 21ste jaar voor de klas staat. Zijn stuk staat in het 400ste nummer van het tijdschrift Tirade.

Anker gaat ons na zijn inleidende bewegingen (hij maakt allerlei bewegingen, zowel van inleidende als van afleidende aard en allemaal heel lezenswaard) duidelijk maken hoe het literatuuronderwijs er dan nu uitziet, in de tweede fase.

Dat weten we natuurlijk best. Leerlingen lezen boeken en maken daar een leesverslagje van en al die verslagen komen in een leesdossier en daarover doen ze eindexamen. Heel leuk, heel zelfstandig. Niets mis mee, om het maar even modern te zeggen. We weten ook best hoevéél boeken die leerlingen dan lezen. Op de havo acht, op het vwo twaalf.

Nou ja, toch mooi acht of twaalf boeken gelezen hè, in je schooltijd.

We weten ook wat het voornaamste is bij het lezen van die boeken. Dat de leerlingen zélf iets van het gelezene vinden. Anker weet zich hier niet meer te beheersen en spreekt onbeschroomd over ,,een gigantische infantilisering van het literatuuronderwijs''. Want dat is het als er niet meer gevraagd kan worden naar vorm, naar verwijzingen, naar stijlmiddelen maar alleen maar naar: vond je het leuk? ,,Dat hij het zo zielig vond voor dat meisje toen bleek dat haar vriend dat hij zelf vorig jaar ook zijn oma heeft verloren zo herkenbaar allemaal.''

Anker is ook de beroerdste niet, hij legt gewoon nog een keer uit waar literatuuronderwijs wél voor bedoeld zou kunnen zijn.

Maar dat weten we ook allemaal al.

Hij gebruikt het woord `analyse'. De woorden `verrijking en verdieping'. Hij zegt nog vriendelijk: ,,Hooggeachte kindvriendelijke leesplezieradepten, het is een wet: alles waarin je je verdiept wordt interessant.''

Ik geef dit allemaal maar weer omdat de meeste mensen geen literaire tijdschriften lezen (onterecht, maar zo is het nu eenmaal, en zeker in dit geval pijnlijk onterecht wat het is een Zeer Lezenswaardig Allemachtig Goed Nummer die vierhonderdste Tirade) en ook omdat we dit natuurlijk allemaal wel weten, maar omdat toch – nu niet gaan schreeuwen – omdat er toch niets aan gebeurt, helemaal niets, stilte en onverschilligheid, het kan niemand ook maar iets schelen.

Dat stuk van Anker zou verplicht gesteld moeten worden voor de hele Tweede Kamer en voor alle ouders en voor alle didactici te Zoetermeer, de minister en de staatssecretaris van het departement waar onderwijs onder valt, plus alle ander ministers en staatssecretarissen en dat we het er dan eindelijk – niet vloeken, dat staat zwak – eens over hébben.

,,De kaalslag van het Nederlandse literatuuronderwijs: zijn er al Kamervragen gesteld?''

,,Wat zeg je?''

,,Kamervragen. Over literatuur.''