Oosterse macht sluipt in agenda G7

De VS en Europa vinden dat Azië, en China in het bijzonder, meer verantwoordelijkheid moet nemen voor de wereldeconomie. Maar moet het dan ook niet een grotere formele invloed toebedeeld krijgen?

Azië stond dit weekeinde centraal in Dubai, waar de groep van zeven grootste industrielanden en het beleidsbepalende comité van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) vergaderden. Hoe gaat het westen om met de verschuiving van het zwaartepunt in de wereldeconomie naar Azië? En moet Azië, als het meer macht krijgt, ook meer verantwoordelijkheid nemen?

Aziatische landen als China en India lieten – samen met Brazilië – een week eerder als grote `ontwikkelingslanden' hun spierballen rollen tijdens de wereldhandelsbesprekingen in het Mexicaanse Cancún. Zelfs het woord `ontwikkelingsland' is steeds minder toepasbaar. India schuwt bilaterale hulp, vooral omdat het geen trek meer heeft in de bemoeizucht die de westerse donoren daar gratis bijleveren. En China is hard op weg een industriële reus te worden.

,,In Cancún is de groep van ontwikkelingslanden voor het eerst bijeengebleven en een machtsfactor geworden'', zegt John Lintjer, vice-president van de Aziatische Ontwikkelingsbank. De economische macht van China is voor hem slechts een kwestie van tijd. ,,China heeft een bevolking van 1,3 miljard mensen, en groeit structureel met 7 procent per jaar. Europa heeft een kwart van dat aantal inwoners en groeit structureel met iets meer dan 2 procent per jaar.''

In Dubai wordt voorzichtig gepraat over een grotere stem van wat met een ouderwetse uitdrukking de `Derde Wereld' wordt genoemd in de besluitvorming van Wereldbank en IMF. Wereldbank-president Wolfensohn stelde dit weekeinde dat er sprake is van een zoektocht naar een nieuwe machtsbalans tussen de industriële zwaargewichten uit Europa en Noord-Amerika, en de rest van de wereld. Volgens een ingewijde in het internationale financiële overleg is het aannemelijk dat de G7, die begin jaren negentig van tijd tot tijd al werd uitgebreid met Rusland tot G8, over niet al te lange tijd ook China zal omvatten. En waarom niet? China staat, in harde dollars gemeten, nu al op plaats zes van de ranglijst van grootste economieën ter wereld – nog vóór de G7-leden Italië en Canada. De Franse president Chirac ruimde afgelopen mei bij de meest recente G8-top van regeringsleiders al een belangrijke plaats in voor China, India en Brazilië.

Of de steeds luidere stem van de Aziatische landen ook snel zal worden vertaald in meer stemmacht bij IMF en Wereldbank is nog de vraag. Minister Zalm (Financiën) benadrukte hier dat er voor sommige landen in dit opzicht `wel wat moet gebeuren', maar dat beide instituten allereerst financiële instellingen zijn, waarbij de stemmacht samenhangt met de inleg in het kapitaal. Een verhoging van dat kapitaal, die de weg zou vrijmaken voor een substantiële herverdeling van de stemmacht, komt er voorlopig niet. De commissie die daar over gaat – met de nogal Orwelliaans klinkende naam The Committee of the Whole – wordt niet bijeengeroepen, waardoor een kapitaalsverhoging effectief tot 2008 is uitgesteld.

Macht maakt verantwoordelijk. De industrielanden van de G7 namen dit weekeinde een `Agenda voor groei' aan. De wereldeconomie maakt een voorzichtig en ongebalanceerd herstel door, dat volgens het plan met een combinatie van structurele hervormingen en een zo groeigericht mogelijk rente- en begrotingsbeleid moet worden verpleegd. De invulling is weinig meer dan een bevestiging van de nationale plannen die de zeven sowieso al hadden, maar de kracht van de gezamenlijke oproep was verrassend.

De Amerikaanse minister van Financiën John Snow maakte daarbij wel duidelijk dat ,,de noodzaak om tot actie over te gaan verder reikt dan alleen de G7''. Het oog valt daarbij op Azië, en vooral China. Het enorme, en mogelijk destabiliserende, tekort op de Amerikaanse betalingsbalans zal op een ordelijke manier moeten worden teruggebracht. Dat betekent dat, volgens de diagnose die in Dubai wordt gesteld, een herschikking van de waarde van de Amerikaanse dollar onvermijdelijk is. Die herschikking zou bij voorkeur moeten plaatshebben door het marktmechanisme op de valutamarkt, waarbij Aziatische munten met een waardestijging een deel van de waardedaling van de dollar moeten opvangen.

De oproep van de G7 tot `grote flexibiliteit in de wisselkoersen' miste vanmorgen zijn uitwerking niet op de valutamarkt. De Japanse munt bereikte met een koers van 112,6 yen zijn hoogste punt in twee jaar.

China houdt zijn yuan vastgeklonken aan de dollar. Politiek is daar de nodige kritiek op – zowel vanuit de EU als uit de VS. In financiële kringen kunnen Chinezen evenwel rekenen op veel sympathie. Dat heeft te maken met begrip voor de financiële en economische hindernissen die het land nog heeft op de weg naar volledige vrijheid van kapitaal en wisselkoers. Het heeft zeker ook te maken met waardering over de manier waarop de Chinezen in het financiële circuit opereren: direct, en soms wat ruw, maar ja is ja, en nee is nee. Meer dan eens, overigens, werden de Chinezen in die eigenschappen vergeleken met Nederlanders.

Maar bovenal is er sprake van een uitruil. China's macht groeit, maar is nog niet geformaliseerd in stemmacht bij de grote instituten of officiële toelating in fora als de G7. En van wie te weinig macht krijgt toebedeeld, mag ook niet alle verantwoordelijkheid worden geëist.