Intelligent verteller van banale voorvallen

De Nederlandse filmindustrie is nog steeds geen zelfstandig functionerende bedrijfstak, oordeelde het kabinet vorige week. Aan regisseur Jean van de Velde, nu bezig met de film Floris, heeft het niet gelegen. Als geen ander hielp hij de Nederlandse film aan een nieuw publiek.

Hij zou Soldaat van Oranje 2 gaan regisseren, maar dat ging niet door. En nu staat hij op de set van Floris, in de Mddeleeuwen op de Zaanse Schans. Het is de achtste draaidag en uit oliemolen `De bonte hen' klinkt af en toe een oorverdovend geraas op. Regisseur Van de Velde heeft zich onzichtbaar verschanst achter een stapel kazen en een luik, om acteurs Victor Löw en Loes Wouterson te volgen.

Niet alleen door zijn eigen naam te verbinden aan nieuwe bewerkingen van films van Paul Verhoeven (Soldaat van Oranje uit 1977 en de tv-serie Floris uit 1969) werpt Jean van de Velde zich op als opvolger van publieksfilmer Verhoeven. Van de Velde is het symbool van de verandering in het Nederlandse filmklimaat. Verhoeven voelde zich in de jaren tachtig miskend door de filmkritiek, die hem beschouwde als symbool van platte publieksfilms, en vertrok verbitterd naar Amerika. Van de Velde maakte in die jaren nog `moeilijke' films, geprezen door de kritiek, gemeden door het publiek. Vanaf de jaren negentig is hij bewust films gaan maken voor een breder publiek, die bovendien lovende woorden kregen van de critici, De kleine blonde dood, All Stars, Lek.

Intelligente publieksfilms – niet de eendimensionele formulefilms als Costa! of Volle maan – dat was precies wat de overheid voor ogen stond toen zij in 1999 officieel de commerciële film tot speerpunt van ruim gefinancierd beleid maakte. Het sprak vanzelf dat Van de Velde daarbij een rol zou gaan spelen. Hij werd in 2000 intendant bij het Nederlands Fonds voor de Film, waarbij hij scenario's moest beoordelen op hun commerciële potentie en zonodig bijstellen richting groot publiek. Sinds 1 juli is hij geen intendant meer en heeft hij weer de ruimte om zulke films zelf te maken. Voor zolang het nog kan, want juist vorige week besloot het kabinet dat het wel genoeg is geweest met de ruimhartige steun voor de publieksfilm. Wat dat betekent voor de positie van de intendant is nog onduidelijk.

Volgens Toine Berbers, directeur van het Fonds voor de Film, is Van de Velde, ,,met hart en ziel toegewijd aan de Nederlandse film''. En is mede door hem de Nederlandse publieksfilm uit zijn winterslaap gehaald. Berbers weet nog goed dat hij in 1980 Spetters zag, van Paul Verhoeven. Hij vond hem ,,heel professioneel'' en begreep niets van de woedende kritieken in de krant (`Spetters is een film van drie letters') en op tv. ,,Toen is het ontspoord'', zegt Berbers. ,,Terwijl de budgetten in Amerika omhoog vlogen en de films daar steeds mooier werden, vervreemdden de Nederlandse regisseurs het publiek van zich door hun zogenaamde auteurs-films.'' Ja, ook Jean van de Velde, wiens Parfait amour in 1985 ,,45 mensen trok''.

Met Parfait amour sloot Van de Velde een periode af die begon toen hij in 1974 op de Filmacademie in Amsterdam kwam. Tien jaar lang zou hij intensief samenwerken met twee mensen die hij daar ontmoette: Leon de Winter en René Seegers.

,,We kwamen alledrie uit de provincie'', zegt Seegers. ,,We kwamen alledrie uit een a-intellectueel milieu'', zegt De Winter, ,,en wat ons naar elkaar toetrok was het feit dat we niet bang voor elkaar waren.'' Zoals ze dat wel waren voor de gebekte Amsterdamse academiegenoten met hun scherpe ellebogen. ,,We begonnen alles anders te doen en alles anders te willen'', zegt Seegers. ,,We begonnen met verzet. Later leer je dat er filmwetten zijn, leer je het nut van een happy end.'' Als je de wetten kent, zegt Seegers, dan kun je pas goed besluiten of je je wilt conformeren aan de stijl of juist niet. ,,Ik heb het altijd interessanter gevonden me niet te conformeren, Leon en Jean zijn daar later anders over gaan denken.''

Seegers en De Winter richtten in navolging van het Duitse Filmverlag der Autoren in 1978 de VOF Associatie van Filmauteurs op, al snel omgedoopt tot de Eerste Amsterdamse Filmassociatie. Volgens Van de Velde's vriend en vaste cameraman Jules van den Steenhoven ,,ook wel de Kwik, Kwek en Kwak van de Nederlandse film genoemd''.

Foto's uit die tijd laten een piepjonge Van de Velde, bijna een schooljongen nog, zien tussen langharige intellectueel-kunstenaar De Winter en een veel volwassener Seegers. Ze zouden samen vijf speelfilms maken, waarvan Van de Velde er drie regisseerde: De verwording van Herman Dürer (naar het boek van De Winter, 1979), De afstand (1982) en Parfait amour (1985). Er ontstond als vanzelf een soort rolverdeling. Leon schreef en regisseerde, Jean regisseerde en schreef, René deed ook regie, maar vooral montage en productie.

Fons Rademakers, nu geëerd op het Nederlands Film Festival, en diezelfde Paul Verhoeven, stonden in de ogen van de nieuwe generatie filmmakers voor een `cinéma de papa' waar zo snel mogelijk korte metten mee gemaakt moest worden. Naar de mode van die tijd zochten ze aansluiting bij de Duitse film. Bij de boeken van Peter Handke, en de films van Rainer Werner Fassbinder en Wim Wenders, die met Im Lauf der Zeit de intellectuele filmliefhebber diep aan het nadenken zette. Ook de Franse film diende als voorbeeld: Truffaut, Chabrol en andere filmmakers van de Nouvelle Vague werden bewonderd en bediscussieerd.

De Franse film was voor Van de Velde geen onbekend terrein. Hij is geboren in 1957 in Bukavu, destijds Belgisch Kongo, keerde in 1965 terug naar Nederland en werd daar tot 1970 in internaten geschoold. Samen met zijn moeder, zijn oudere broer René en zijn Belgische vader, die als ingenieur in Afrika elektriciteitscentrales bouwde, zag Jean in het koloniale Belgisch Congo veel Franse films in Hotel Paguida, waar de blanke gemeenschap zich dagelijks verzamelde. Zowel de kolderieke humor van Louis de Funès als het meer dubbelzinnige werk (`hele en halve seksfilms') bepalen zijn eerste filmische herinneringen.

,,Jean komt uit een heel gezellig gezin'', zegt huisvriend Harry van den Hoeven. Hij zat op het Bonifatiusgymnasium in Utrecht in de klas bij Van de Velde's latere vrouw Bernadette. ,,Jean kwam er in de derde bij. Hij kwam naast me zitten en is daar tot het einde toe gebleven. Ik kwam graag bij hem thuis. Er was altijd wat te doen. Zijn moeder was een avontuurlijke vrijgevochten vrouw. Zij reisde rustig in haar eentje naar Australië. Zij is op een gegeven moment terug naar Nederland gekomen. Zijn vader was een echte Belg, een bourgondische levensgenieter, die tussen Nederland en Afrika pendelde. Dat heeft Jean wel van hem. Hij is in staat om overal te wortelen en toch los van zijn omgeving te blijven. Jean is een echte family man. Elke zaterdag spreken we af. Dan gaan we naar het voetballen van de kinderen kijken en koken we. Dat wil zeggen, Jean kookt en ik proef. Maar zelfs privé loopt het werk er voortdurend doorheen.''

,,Wat je met Jean doet'', zegt psycholoog Van den Hoeven, ,,is met hem meedenken. Zelfs toen we pubers waren kan ik me niet herinneren ooit ruzie met hem gehad te hebben. Hij draagt altijd andere gezichtspunten aan. Als je ruzie met hem wilt krijgen, moet je het wel heel bont maken. Jean blijft altijd de nuance benadrukken. Als Jean dingen overkomen, als mensen hem belazeren, dan kunnen wij, zijn vrouw en ik, ons daar mateloos over opwinden. Maar hij laat altijd de andere kant zien. Toch is hij op een bepaalde manier ook veeleisend. Hij eist van z'n vrienden en z'n collega's hetzelfde wat hij ze geeft: onvoorwaardelijke loyaliteit en vertrouwen.''

Volgens cameraman Jules van den Steenhoven ,,ontdekte Van de Velde na Parfait amour hoe moeilijk het was om überhaupt een goed verhaal te vertellen. Toen heeft hij die jeugdige Sturm und Drang laten varen. Hij heeft zich ontwikkeld tot een intelligent verteller van banale voorvallen. Hij blijft dicht bij huis. Zijn films zijn typisch Nederlands en waanzinnig authentiek.'' Van de Velde heeft als filmmaker geen hele grote ambities, denkt Van den Steenhoven. ,,Hij doet dingen die hij zelf leuk vindt om een keer te zien. Hij is niet meer zo bezig of hij er wel een goede recensie in de NRC mee krijgt. Hij wil mensen entertainen.''

,,Het leven is al moeilijk genoeg. Het past niet bij Jeans natuur om daar met geklaag en gemopper nog een schepje bovenop te doen'', zegt producent Pieter Jan Brugge vanuit Los Angeles. Brugge produceerde samen met Hans Klap Van de Velde's film De afstand en de twee zijn elkaar ondanks hun zo heel anders verlopen carrièrepaden niet uit het oog verloren. Brugge denkt nu dat ook het intellectualisme van de Filmassociatie Van de Velde is gaan tegenstaan: ,,In het begin van je leven ontleen je meer identiteit aan een groep. Later ontwikkel je de durf om je eigen stem te volgen. Dat is het belangrijkste kenmerk van Jean als filmmaker. Dat hij zijn eigen stem heeft gevonden.''

Voor Brugge was het vanaf het begin duidelijk, Jean was binnen de Eerste Amsterdamse Filmassociatie degene met de meeste humor. Brugge: ,,Jeans krachten als filmmaker liggen in het menselijke. Hij is niet bang om het wezenlijke van karakters in extreme situaties te plaatsen. Kijk maar naar die aflevering van de voetbalserie All Stars, waarin hij het team laat spelen tegen een elftal met een speler met het syndroom van Down. Bij ieder ander zou dat platvloers zijn geworden. Zo niet bij Jean. Hij heeft een directheid die Paul Verhoeven ook nog bezat toen hij in Nederland films maakte.''

In 1992 besluit Van de Velde weer eens een eigen film te regisseren, De kleine blonde dood, naar een boek van Boudewijn Büch, met Antonie Kamerling in de hoofdrol, een soapster. Het is een novum in de Nederlandse filmgeschiedenis. Ongeschoolde televisieacteurs die een hoofdrol in een film krijgen. ,,Soaps zijn een kweekvijver van nieuw talent'', zal hij daar vaak over zeggen.

Rolf Koot, productieleider van De kleine blonde dood en producent van Van de Velde's films All Stars en Lek, vindt het logisch: ,,Als je een film wilt maken waar mensen heengaan, heb je bekende gezichten nodig en die zie je op tv. Het is gewoon een kwestie van goed casten. Natuurlijk konden ze niet allemaal even goed acteren, maar dan doe je dus aan typecasting. Niks bijzonders, Amerikaanse films zitten allemaal zo in elkaar.''

Logisch dat het Filmfonds bij Van de Velde in 2000 aanklopt als het een intendant zoekt. Dat hij op wereldreis gaat, geeft niet. Via e-mail en telefoon blijft hij in contact met scenarioschrijvers en producenten die plannen indienen. Onder de projecten waar hij aan werkt zitten films als Minoes, Ja zuster, nee zuster, Phileine zegt sorry en Liever verliefd, de eerste proeve van een niet geheel onomstreden remakeproject. Minoes trok bijna 1,2 miljoen bezoekers.

Als intendant is Van de Velde geroemd om zijn vermogen altijd de goede punten van een script te beklemtonen en nooit de negatieve. Zo wist hij schrijvers en makers enorm te inspireren. En als hij echt slecht nieuws moest brengen, dan pikten de makers dat ook van hem, zegt Filmfonds-baas Toine Berbers. ,,Ik heb zo frank en vrij mogelijk geouwehoerd wat ik van de plannen vond'', zegt Van de Velde op de set van Floris. ,,Zo eerlijk mogelijk.''

Eerlijkheid, loyaliteit, het zijn woorden die vaak vallen als het over Jean van de Velde gaat. Hij zegt op de set het harmoniemodel na te streven (,,Ik gebruik ook opmerkingen van de kleedsters'') en daar in 99 procent van de gevallen in te slagen.

,,Ook privé zul je hem niet heel uitgesproken dingen horen zeggen'', meent huisvriend Harry van den Hoeven. ,,Wie weet komt het ook door Afrika. Dat zegt hij tenminste zelf. Hij legt de nadruk op de goede dingen en probeert zich vooral niet druk te maken over dingen die niet echt de moeite waard zijn. Ik denk ook dat hij het compromis heeft leren vinden op zijn tijd op het internaat. Daar heeft hij geleerd mee te buigen in plaats van ergens tegenin te gaan. Dat Soldaat van Oranje 2 niet doorging, was natuurlijk een enorme teleurstelling, maar heel snel daarna stort hij zich vol overgave in andere projecten.''

Terwijl in oliemolen `De bonte hen' de kazen naar beneden donderen op Floris' hoofd en stuntman Harry Wiesenhaan zich zorgen maakt over uitlooptijd op de set, worden in politiek Den Haag de stimuleringsmaatregelen voor de Nederlandse film afgeschoten. Van den Velde heeft het van de zijlijn gevolgd. ,,Dat de Nederlandse film niet economisch zelfstandig zou worden, kon je van tevoren weten. Toch hebben de maatregelen gigantische activiteiten teweeggebracht en is het marktaandeel van de Nederlandse film enorm gestegen. Het einde ervan zou wel eens verstrekkende gevolgen kunnen hebben. Het zou wel eens kunnen betekenen dat het geen zin heeft om nog projecten te ontwikkelen voor publieksfilms, omdat je er toch geen geld meer voor kunt genereren. Dan heeft de Nederlandse film een probleem.''