Gewoon ophogen van de veendijken werkt niet

Na de dijkafschuivingen in Wilnis en Terbregge werken onderzoekers aan een nieuwe norm voor veendijken. ,,We werken hier deels op de tast.''

,,Het is frustrerend om nog niets met zekerheid te kunnen zeggen, maar het is niet anders'', zegt Gerard Kruse van GeoDelft. De onderzoeker wandelt langs proefopstellingen in het laboratorium. Veenmonsters uit Wilnis worden aan druk uit drie richtingen blootgesteld. En dan maar kijken wanneer het veen bezwijkt.

Elders staan in een gekoelde ruimte vaten, elk met vijfhonderd kilo aarde uit de boezemkade. Kruse: ,,Ik heb nog spierpijn van het tillen.'' En in een kelder liggen opengewerkte pijpen met bodemmonsters. Linksboven in een pijp het gras van de veendijk en rechtsonder zand uit het Pleistoceen, geboord op een diepte van een meter of zes.

Kennisinstituut GeoDelft pakt het onderzoek naar de precieze oorzaak van de dijkafschuivingen in Wilnis en Terbregge grondig aan. ,,We hebben zeker nog een paar maanden nodig'', meldt onderzoeker Hans Dekker. Het onderzoek voor Wilnis wordt gedaan in opdracht van het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht. De eerste, voorlopige bevindingen zullen worden ,,meegenomen'' in de resultaten van een snel onderzoek van de waterschappen en van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA) naar het effect van droogte op boezemkades. Die worden deze week verwacht.

Belangrijkste vraag, zegt een woordvoerder van STOWA, is hoe lang het duurt voordat uitgedroogde veenkades weer op hun oude niveau zijn. Veen gedraagt zich namelijk hydrofoob, dat wil zeggen dat regenwater aanvankelijk ,,als van een eend'' afstroomt. Pas later neemt het water op. ,,Met de herfst voor de deur is het voor alle waterschappen van het grootste belang om te weten hoe lang ze de verhoogde waakzaamheid moeten volhouden'', aldus de woordvoerder.

Belangrijke details over de stabiliteit van veendijken zijn onvoldoende bekend, zeggen ze bij GeoDelft.

De belangstelling kwam op in de jaren zestig, toen een boezemkade in Tuindorp-Oostzaan bezweek en de woonwijk onderliep. De Technische Adviescommissie voor de Waterkeringen (TAW) werd opgericht en een werkgroep onderzocht tweehonderd polders en 1.700 kilometer boezemkade. Omdat het zo veel werk was, volgden pas decennia later de resultaten, waaruit bleek dat een kwart van alle ruim tienduizend kilometer secundaire waterkeringen onveilig was. Dekker: ,,Er is toen een versterkingsprogramma opgezet. Maar tien jaar geleden verschoof de aandacht naar de primaire waterkeringen, de rivierdijken, vanwege het hoge water toen, en raakten de boezemkades op de achtergrond.''

Onderzoek moet over enkele jaren leiden tot een nieuwe normering voor boezemkades, dat wil zeggen een norm die de eisen vastlegt als het gaat om de ,,standzekerheid'' van een veendijk en de kans op inundatie. Het moet een ,,brede'' norm worden, zeggen Dekker en Kruse, die óók toegespitst is op de effecten van droogte, iets waar in de huidige norm geen rekening mee is gehouden, én met de gestegen waarde in de polders erachter. Dekker: ,,Er is in de loop der jaren van alles in die polders gebouwd dat schade kan oplopen.''

Tot die tijd moet er alvast een handleiding komen voor waterschappen. Dekker: ,,We zitten met boezemkades waar we onvoldoende over weten, maar de waterschappen zeggen: ik moet er iets van weten, want ik zie nu een scheur. Dus voegen we alle informatie bij elkaar en zetten we een soort beslisboom op: wat doe je op welk moment.''

Het eenvoudigweg ophogen van veenkades is als algemene maatregel niet effectief, want daarmee wordt een cyclus van ophogen en wegzakken in werking gesteld: door het ophogen wordt de dijk zwaarder, daardoor klinkt de veendijk in en zakt weer weg, wat opnieuw ophogen nodig maakt. ,,Priegelwerk'', aldus Kruse. Een stad als Gouda kan erover meepraten; de slappe veenbodem zakt weg en ophogingen hebben niet altijd resultaat. Kruse: ,,Je moet in Gouda acht meter ophogen om één meter te winnen.'' In de polders is bodemdaling een blijvend probleem: hoe groter het hoogteverschil tussen bodem en veenkade, des te instabieler de kade.

Ook het veen zelf gedraagt zich tot op heden tamelijk onvoorspelbaar, melden de onderzoekers. ,,We werken hier deels op de tast.'' Duidelijk is dat als veen water verliest, bijvoorbeeld door extreme droogte, het ook volume verliest. Dat is een ,,irreversibel proces'', het veen zwelt niet meer op.

Maar terwijl van zand- en ook kleidijken ,,prettige modellen'' te maken zijn over sterkte onder invloed van droogte, is dat voor veendijken niet bekend.

De meest voor de hand liggende verklaring voor het afschuiven van de veenkades in Wilnis en Rotterdam is dat het veen onder invloed van de extreme droogte deze zomer gewicht heeft verloren en daardoor kon gaan schuiven. Maar zelfs als het zo is gegaan, zeggen de onderzoekers, dan is nog onduidelijk wat die verschuiving in werking heeft gezet. Misschien was het methaangas of ,,moerasgas'' dat zich altijd in veendijken bevindt. Misschien heeft het hoogteverschil met de polder er iets mee te maken. En misschien ook heeft de waterspanning onder de dijk een rol gespeeld, de druk van het grondwater die op zijn beurt afhankelijk is van de samenstelling van de bodemlagen onder de veendijken.

Krüse: ,,Wat je nooit moet doen, is zomaar zand gooien op een scheur in een veendijk. Een scheur zegt niets over de noodzaak tot ingrijpen als je niet weet hoe sterk die dijk is, wat het hoogteverschil is tussen boezemwater en de polder erachter, en wat de geïnvesteerde waarde is van het gebied in de polder.''